Meer dan genoeg: lessen voor een nieuw seizoen!

Schriftlezing: Exodus 16 - Mattheüs 4:1-4
Datum: 14 september 2014
Download PDF


1. Inleiding

Het is nog maar een maand geleden dat midden in een woestijn van Irak, 40.000 Yezidi’s op een berg zaten. U herinnert het zich vast nog wel. Ze waren op de vlucht voor de strijders van de Islamitische staat (IS). Huis en haard hebben ze achter zich gelaten. Hals over over kop moesten ze vluchten om niet gedood te worden. Ze waren wanhopig. Zouden ze de berg verlaten, dan werden ze gedood door de soldaten van IS. Maar als ze zouden blijven, zouden ze sterven van de honger en dorst. Zo zaten ze daar. Het eten en beetje water dat ze meedroegen, was na een paar dagen op. Zonder water kan een mens het in de woestijn slechts een paar dagen uithouden. Niet meer dan drie, zegen de experts. Velen zijn dan ook op de berg gestorven. Gelukkig is er later hulp gekomen: water gebracht en zijn ze later bevrijd.

Maar we moeten ons een verblijf in de woestijn niet rooskleurig voorstellen. De zon kan overdag zo verzengend branden, dat het kwik wel oploopt tot ruim 45 graden. En ’s nachts kan het zo koud worden, dat er nachtvorst is. Ik herinner me een woestijn in Chili, in de bergen, waar een meer was waar flamingo’s ’s avonds neerstreken, maar ze konden pas weer wegvliegen, nadat de zon de volgende dag het ijs had doen smelten. Want in de nacht waren hun poten vastgevroren in het ijs. Zo warm en zo koud kan het in de woestijn zijn. Nee, het is bepaald geen pretje om daar lang te zijn en rond te trekken.

2. Context

Dat was het voor de Yezidi’s niet. Dat was het ook voor het volk Israël niet. 45 dagen (op de vijftiende dag van de tweede maand) na de uittocht uit Egypte komt het aan in de woestijn Sin. De weg naar het beloofde land loopt dwars door de woestijn. Israël kan het beloofde land alleen bereiken als het door de woestijn gaat. Dat is niet eenvoudig. Want de woestijn, ja dat is de plek van ontbering en beproeving. De plek waar alle zekerheden wegvallen. De plek waar je op jezelf bent aangewezen. De woestijn is de plek waar alles in je leven onder druk komt te staan. In dit hoofdstuk dreigt het volk om te komen van de honger. In een ander hoofdstuk is er gebrek aan water. Weer elders zijn er vijanden die het leven van het volk bedreigen. Of sterven er geliefden als Mirjam. De woestijn is de plek van de crisis.

De vraag is natuurlijk hoe het volk met deze crisis omgaat? Dat is voor ons trouwens ook een belangrijke vraag. Want als we even de lijn doortrekken. Wij zijn op doorreis. We hebben hier geen blijvende stad. Als we in geloof de Here Jezus volgen dan zijn we op weg naar de grote toekomst van God: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. De weg daarheen – de weg van het geloof – is niet eenvoudig. Vraagt volharding van ons. Er kan onderweg van alles gebeuren dat ons leven onder druk zet. Ik denk aan de woestijn van een chemokuur, een depressie, van een langdurige werkeloosheid, van steeds maar weer gepest worden, van eenzaamheid of gemis van een geliefde. Niet eenvoudig. Een crisis kan zomaar je levenspad kruisen. Net als bij Israël. De vraag is hoe je er mee omgaat.

Wat doet Israël? Het moppert en begint te klagen. Heel vaak komen we het woordje ‘morren’ tegen. Het is een en al klaagzang bij het volk. Wat zeggen ze? Waren we maar in Egypte gebleven. Daar hadden we het goed. Er was voldoende vlees en brood. En in deze woestijn gaan we allemaal dood. Maar waar is het vertrouwen gebleven? Had God ze niet op een wonderlijke manier uitgeleid? Was het leven in Egypte niet bijzonder zwaar geweest? Werden ze daar dan niet verdrukt. Was er geen farao die hen probeerde om het leven te brengen? De crisis waarmee ze geconfronteerd worden, doet ze ineens alles vergeten. En dan blijkt hoezeer de mentaliteit van Egypte nog in hun bloed zit. Hun geest is nog vergiftigd door de farao en zijn mensen. Ze stellen meer vertrouwen in het verleden, in hun zekerheden van vroeger, dan in God. De crisis doet de herinnering aan Gods machtige ingrijpen vervagen en het volk wil terug naar de slavernij. En in hun klacht verwijten ze niet alleen Mozes en Aäron: jullie hebben ons hier gebracht, maar ten diepste verwijten ze God zelf dat Hij de oorzaak van dit alles is.

Zo kan het dus gaan, dat een crisis in je leven je ertoe brengt om te klagen, mensen om je heen te verwijten en ook God het voor de voeten te werpen: waarom hebt u dit gedaan of toegestaan? Niets menselijks is ons vreemd. Ik herken het wel. Maar zeg eens eerlijk: heeft God de woestijn dan geschapen? Daar lezen we in Genesis 1 niks over. Hij schiep de zon, de maan en de sterren. Hij maakte de oceaan. De planten en de dieren. Maar ik lees in Genesis niet dat hij de woestijn schiep, waar alles droog is, verbrandt en sterft. Hij heeft dat niet geschapen. De wildernis. Ziekte en lijden, het kwaad en de rampen, armoede en oorlog. Deze dingen vormden geen onderdeel van zijn oorspronkelijke plan. Het is de gebrokenheid als gevolg van de zondeval waardoor wij lijden. En als de Here Jezus bij het graf van zijn vriend Lazarus staat, dan huilt Hij. En is Hij boos over het kwaad en onrecht dat mensen elkaar aandoen. Nee, de dag komt, dat God alles nieuw zal maken: geen honger, geen lijden, geen ziekte en geen dood. Hij is niet de auteur van de crisis of van de woestijn van ons leven. Laten we dat alsjeblieft niet vergeten.

3. Kern

Nee, we kunnen van deze geschiedenis juist het tegendeel leren. Want wat is het antwoord van God op het klagen en morren van zijn volk? Hoe reageert Hij? Hij geeft brood en vlees in overvloed. Manna in de morgen en kwakkels in de avond. Elke dag weer opnieuw. Aan het slot van het hoofdstuk lezen we dat Hij dat zelfs 40 jaar lang heeft gedaan. Ondanks hun klagen en morren toont de Here Zijn barmhartigheid aan het volk. Voed Hij hen met overvloed.

Waarom doet de Here dat? Hij had het volk los kunnen laten. Hij had het kunnen straffen. De verwijten waren immers niet gering. Maar waarom zegent de Here het? Waarom laat Hij het brood uit de hemel regenen? Vers 4 geeft het antwoord: om het volk op de proef te stellen of het naar Zijn wet wandelt of niet. God stelt zijn volk op de proef met overvloed. Dat is bijzonder. Op de proef stellen, of testen, doe je omdat je ergens achter wil komen. Waar wil God achter komen? De Here wil weten of zijn volk wil luisteren naar wat Hij te zeggen heeft. We zitten hier in Exodus 16 aan het begin. Op het moment dat God spreekt, bestonden er nog geen uitgewerkte voorschriften van de Here. Die worden later pas gegeven. We staan aan het begin van de woestijnreis. Al die wetten en voorschriften moeten nog komen. Het gaat de Here er hier om dat Hij wil weten of Israël zich zal houden aan de voorschriften als Hij die gaat geven. Als Hij iets tegen ze zegt, dat ze Hem dan zullen gehoorzamen. En dat niet alleen. Want gehoorzamen staat nooit op zichzelf. Als iemand gehoorzaamheid vraagt, dan zit daarachter ook de gedachte, dat het goed is; dat je erop kunt vertrouwen dat wat iemand vraagt ook goed is om te doen. Dat is in de opvoeding ook zo – tussen ouders en kinderen – je vertrouwt erop dat je ouders het beste met je voor hebben, en dat je daarom erop rekent dat het goed is wat ze zeggen. En juist dat wil de Here aan zijn volk leren: dat ze erop vertrouwen dat het goed is wat Hij van hen vraagt. Dat ze leren Hem onvoorwaardelijk te vertrouwen. Dat Hij het beste met hen voor heeft; dat Hij niet hun dood, maar het leven op het oog heeft.

Hoe doet de Here dat? Hij doet dat door het volk op rantsoen te zetten. Hij geeft manna in overvloed, maar ze mogen het maar voor één dag pakken. En morgen? Morgen weer opnieuw hetzelfde. Ziet u, dat het om vertrouwen gaat. Vertrouwen dat de Here er morgen ook is. Dat Hij morgen ook zorgt. En overmorgen. Ja, elke dag. Dat Hij zo in hun leven aanwezig wil zijn, midden in de woestijn, als de God die zorgt. Daarom mag Israël het manna ook niet bewaren voor de volgende dag. Er zijn wel mensen die dat doen. Die hamsteren. Dat is de cultuur van Egypte die nog in hun bloed zit. Nee, zegt God: wees van Mij afhankelijk. Elke dag.

Daar zit ook een kritische noot in voor ons vandaag de dag. We leven in een rijk land. Met veel mogelijkheden om te leven en te werken. Met overvloed. Maar in die overvloed leert de Here Jezus ons bidden: geef ons heden ons dagelijks brood. Het is alsof Hij zegt: geniet van wat Ik je geef, maar laat het genoeg zijn voor vandaag. Je hoeft als mens niet te hamsteren of alles op te potten. Of oneindig veel zekerheden in je leven in te bouwen. Ik ben er toch. Wees tevreden met vandaag en vertrouw dat Ik je morgen ook zal zegenen.

Israël moest het manna oprapen elke dag weer. Er was genoeg voor iedereen. Wie veel had verzameld had niets over, wie weinig had verzameld kwam niets te kort. En de Here gaat nog een stapje verder: na zes dagen bij de dag te leven, en zich geen zorgen te maken voor de dag van morgen, is er de sabbat, de rustdag die helemaal aan Hem gewijd is. Dan mogen ze voor twee dagen rapen en moeten ze erop vertrouwen dat het voedsel niet bederft. En het bederft niet, want de Here heeft gesproken. Als het volk naar Hem luistert, komt het goed.

4. En wij?

Gemeente, wat kunnen wij van deze geschiedenis leren? We staan aan de start van een nieuw seizoen. Alle activiteiten in de gemeente gaan weer beginnen. Wat zijn de lessen die wij uit deze geschiedenis kunnen leren?

4a. Niet brood, maar het woord van God

Het eerste is dit. Mozes zei het in Deut. 8 en de Here Jezus in Mat. 4: als mens kun je in de woestijn van het leven niet van brood alleen leven, maar van het woord dat uit de mond van God komt. Dat is ook het scharnierpunt in Exodus 16. Mozes en Aäron nemen het volk mee naar buiten, met het gezicht naar de woestijn gericht, ze komen dxaar met hun zorgen en noden, ze moeten de angst voor de toekomst onder ogen zien, en dan verschijnt de heerlijkheid van de Here in een wolk. En begint Hij te spreken. Dat spreken van de Here, maakt alles anders. Doordat God spreekt, verandert de woestijn in een plek waar je doorheen durft. Welke woestijn je ook in je leven moet betreden, als De Here erbij is, en als Hij spreekt, dan kun je moed vatten. Je bent niet alleen. Hij is er. Hij is er bij.

Wie zo leeft, wie zo biddend leeft, mag ervaren dat de Here spreekt. Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft. Maar het vraagt wel iets van je. Je moet dat Woord van God ook ter hand nemen. Net als het volk Israël dagelijks manna at, zo moeten ook wij met dat Woord bezig zijn. Elke dag. Elke dag ons voeden met Zijn Woorden. Dat is onze taak en verantwoordelijkheid. Ik zou zeggen: benut ook dit seizoen. Gebruik de mogelijkheden die er in dit winterseizoen zijn. God geeft ze aan je. Om je sterker te maken. Om je te voeden met meer van Hem. Om je te corrigeren, dat hebben we nodig. Om ons op te bouwen in het geloof. Want er komen ongetwijfeld momenten, dat het moeilijk wordt. Dat je wat je zelf hebt, tekort schiet. Je diploma’s, je lichaamskracht, geld, je gezondheid. Dat al deze dingen uit je handen worden geslagen. En wat blijft dan? Dat zijn de Woorden die God gesproken heeft: in Zijn Woord, dat wat Hij op je hart gebonden heeft. Geen woord van Hem valt leeg ter aarde, maar doet altijd wat Hem behaagt: het brengt je dichter bij Hem.

Kijk, het gebeuren van Ex. 16 vindt 45 dagen plaats na de uittocht. De uittocht uit Egypte, dat was het eenzijdig werk van God. Daar kon het volk niets voor doen. Zo is het ook met ons als wij tot geloof komen in de Here Jezus. Dat is genade. Helemaal Zijn werk. Maar uit die verlossing leven; het leven met de Here elke dag; dat is iets waar Hij ons bij inschakelt. Zoals het volk elke dag manna moest zoeken, zo moeten ook wij het brood van het Woord tot ons nemen. Elke dag. Neem daar dan tijd voor. Benut dit seizoen, de mogelijkheden die de Here ons geeft. Dan zorg Zijn Geest ervoor, dat leren vertrouwen, groeien in het geloof, ons steeds afhankelijker weten van Hem.

God wil niet dat we alleen van brood zullen leven. Dat is: dat we slapen, opstaan, werken, eten en drinken, en zo voort, maar dat elke dag Zijn Woord een lamp voor onze voet is en een licht op ons pad.

4b. Genoeg voor eenieder

Er is nog iets. Er was voor iedereen genoeg manna. Wie veel verzamelde, had genoeg. Wie minder kon meenemen, kwam niet te kort. Er werd met elkaar gedeeld. Een gomer voor elke gezin. Dat zit ook een les in. We zijn allemaal verschillend. Er zijn onder ons die aan het begin van de weg met God staan, en anderen die al een heel leven met Hem wandelen. Maar we zijn samen op weg. Als je veel van de Here ontvangen hebt, dan mag je dat delen met anderen, die nog aan het begin van de weg staan. God wil dat we op elkaar verbonden zijn. Dat wat we van Hem ontvangen hebben, we niet voor onszelf houden. Want het gaat erom dat iedereen genoeg heeft. Dat ieders gomer vol zit. Dat wil zeggen: dat iedereen van ons voldoende manna heeft. Dat iedereen van ons leert om te leven met de woorden van de Here. Genoeg voor de levensfase waarin je je bevindt. Daarom vond ik de woorden van broeder Bert Hofman ook zo bemoedigend. Hij mag al heel wat jaren met de Here wandelen. Vanmorgen heeft hij iets van dat manna, dat hij ontvangen heeft, met ons kunnen delen. Ter bemoediging. Opdat we net als Hem het met het Woord van de Here zullen wagen.

5. Slot

Ik ga eindigen. Tenslotte nog een ding. Misschien wel de belangrijkste les van vanmorgen. In ieder geval een les om nooit te vergeten. Mattheus vertelt ons, dat de Here Jezus ook in de woestijn is geweest. Door de Geest geleid is Hij de woestijn binnengegaan en is Hij daar door de duivel verzocht. Alle demonen hebben zich op Hem gestort. Ze wisten dat Hij de Zoon van God was, gekomen om mensen te redden, te bevrijden uit de macht van de boze en van de zonde. Ze hebben er alles aan gedaan om Jezus te verleiden en tegen te werken. Maar onze Heiland is in de woestijn niet ten onder gegaan. Hij heeft de boze weerstaan. Hij heeft de tegenstander op zin eigen terrein verslagen.

Weet u wat dat betekent? Dat Jezus ook in de woestijn is geweest. In jouw woestijn. Op die plek waar je aangevochten wordt. Waar zekerheden je dreigen te ontvallen. De zekerheid van je werk, je relatie, je gezondheid. De woestijn van de rouw, van de eenzaamheid, van de dingen waar je bang vor bent, van de worsteling met je identiteit. Daar is Jezus ook geweest. Hij is staande gebleven. Hij heeft de overwinning behaald. Hij weet wat je doormaakt. Hij is de woestijn binnengegaan als onze Heiland. Hij heeft de woestijn van binnenuit ontmanteld. Nu hoeven wij nooit meer bang te zijn, want in de woestijn is Jezus er. Zie je op tegen de dag van morgen? Moet je een test doen, spreekbeurt, naar de tandarts of zijn er ingewikkelde dingen op je werk, moet je iemand begraven, vertrouw erop dat Hij erbij is.

Luister goed naar wat de Here tot je spreekt, ook in dit seizoen, want zijn woorden zullen zijn als manna. Genoeg om de dag door te komen. Want een woord van de Here zet heel de dag, heel je situatie, in het licht van Hem.

Er was een man, die in de stilte van zijn kamer Bijbel zat te lezen. Hij glimlachte terwijl Hij zat te lezen. Toen ik binnenkwam, zag ik de glimlach op zijn gezicht. Wat geeft je zoveel blijdschap, vroeg ik? Dit woord van de Here Jezus raakt me zo, antwoordde Hij: Zie ik ben met u alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld. Nu weet ik, dat ik niet bang hoef te zijn voor morgen. En wij hoeven dat ook niet te zijn.

Amen.