Met ontferming bewogen!

Schriftlezing: Marcus 1:34-45 - Leviticus 13:45-56
Datum: 11 februari 2018
Download PDF


1. Pater Damiaan: net als Jezus

Hoe ver zou u gaan met het helpen van mensen die aan een besmettelijke ziekte lijden? Zou u het risico durven lopen zelf ook ziek te worden?

Het overkwam pater Damiaan. Een Belgische priester die bekend is geworden door zijn werk onder melaatsen. In 2009 us hij door de toenmalige Paus Benedictus zalig verklaard als beschermheilige voor melaatsen en aidspatiënten. In het jaar 1864 wordt hij tot priester gewijd en gaat als zendeling naar de Hawaï-eilanden toe. In die tijd werden de melaatsen van Hawaï samengebracht in een kolonie op het eiland Molokai. Ze leven onder moeilijk omstandigheden, zonder medische hulp. Damiaan trekt zich het lot van deze mensen aan en gaat op het eiland Molokai werken. Meer dan 800 melaatsen wonen daar. Damiaan begint de mensen te helpen. Er komen huizen, hij bouwt twee dorpen voor de melaatsen, en een school en een kerk. De hygiënische en materiële omstandigheden op het eiland verbeteren. In de kolonie leven wel tot 1000 melaatsen. Maar uiteindelijk sterft Damiaan op 49 jarige leeftijd aan dezelfde ziekte als de mensen op het eiland. Wat bewoog deze Damiaan? In één woord: de ontferming van Christus dreef hem.

2. Een melaatse zoekt Jezus

Melaatsheid. Te midden van alle mensen die met hun gebrokenheid naar Jezus toe komen, is daar ook een melaatse man. Marcus geeft hier in het hoofdstuk extra aandacht aan. Te midden van alle nood die er is, laat hij even het licht vallen op deze man. Dat zal ermee te maken hebben, dat wat bij deze man speelt, nog aangrijpender is dan bij anderen.

Als je naar de verschijnselen kijkt, die beschreven worden, dan is melaatsheid een soort verzamelbegrip. Soms heeft melaatsheid met een bepaalde huidziekte te maken, of met eczeem, maar ook lepra valt er onder. U weet wie besmet is door de leprabacterie krijgt gevoelloze ledematen, er kunnen infecties ontstaan, en sommige delen sterven dan af. Pater Damiaan is aan deze vorm van ziekte overleden. Welke vorm hier bedoeld is weten we niet. Één ding is duidelijk: onder de zieken namen de melaatsen een bijzondere plaats in.

Melaatsheid immers werd meestal gezien als een straf van God. Een straf met name vanwege hoogmoed en leugen. Dat ontleende men aan de geschiedenissen van Mirjam en Gehazi. Een melaatse was een door God vervloekte. Zo beschouwde men hem en zo beschouwde hij zichzelf ook. Melaatsen waren dan ook niet alleen maar ziek, maar ook onrein. Ze moesten in gescheurde kleren rondgaan en mochten niet in de buurt bij anderen komen. Wanneer anderen in hun nabijheid kwamen, moesten zij hen waarschuwen door ‘onrein’, ‘onrein’ te roepen.

[Hier achter de Sint Jan, bij de ingang van het Museum Gouda is het Lazaruspoortje te zien. Het poortje gaf toegang tot het Leprozenhuis dat daar stond. Boven het poortje staat de afbeelding van de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, die melaats was.

Oorspronkelijk woonden de melaatsen buiten de stadsmuren. Vanwege de dreiging van de Spanjaarden in 1574 zijn de melaatsen verhuisd, eerst naar naar het vrijwel verlaten Maria Magdalenaklooster aan de Kleiweg (waar nu ongeveer de HEMA is). Daarna verhuisden zij naar klooster St. Marie op het Nonnenwater.

Melaatsen waren verplicht om een ratel te gebruiken. Om zo de mensen te waarschuwen afstand te houden. In de middeleeuwen heette dit een klapspaen of kortweg klap. Wie melaats was, kon niet werken en moest dus bedelen om in leven te kunnen blijven. De melaatse ging daarom altijd met ‘klap en (bedel)nap’ op stap.]

Hier in het evangelie ontmoeten we ook een melaatse man. Hij is naar Jezus toegekomen met de nood van zijn leven. Om bij Jezus te komen heeft hij dus heel wat barrières moeten slechten. Hij woonde buiten de stad. Hij mocht in de tempel niet komen, evenmin in de synagoge. Hij moest het contact met andere mensen mijden. Bovendien, als er zonde was in zijn leven, zal dat een extra obstakel geweest zijn om naar Jezus te gaan. Maar dat deert hem allemaal niet. Er is iets in hem dat hem naar Jezus trekt. De verhalen die anderen hem hebben verteld; de getuigenissen van wat Jezus kan doen, hebben hem gesterkt in zijn overtuiging. Kom ik om dan kom ik om, maar naar Jezus zal ik gaan! Ondanks alle obstakels heeft de man er goed aan gedaan om naar Jezus te komen.

Gemeente, dat is iets wat we moeten vasthouden vanmorgen. Dat het goed is om met de nood van je leven naar Jezus te gaan. Weet u, wij zitten als mensen soms zo ingewikkeld in elkaar. We zitten ergens mee, we maken ons zorgen, we worstelen met gebrokenheid of met zonde, en wat doen we dan? Het gebeurt nogal eens dat we er heel lang zelf meelopen. Dat we het voor onszelf houden. We willen anderen er niet mee lastig vallen. Het is te persoonlijk. Of als ik dit aan iemand anders ga vertellen, dan moet ik zo huilen. Daar schamen we ons voor. Hij of zij hebben zelf ook al zoveel problemen. Ik bid zelf wel tot God. Ja, dat is ook altijd goed. We mogen net als deze man met onze nood en met onze dank naar Jezus toe gaan in gebed. Maar de Here Jezus is nu niet zichtbaar voor ons. Daarom maakt hij gebruik van de gemeente. Geeft Hij broeders en zusters met een luisterend oor, die voor ons kunnen bidden. We zijn allemaal door de Here God zo aan elkaar geschonken. We zitten hier vanmorgen allemaal met een roeping. Kijk eens om je heen. Ken je die ander? Weet je wat hij of zij nodig heeft? Vraag het maar. Stap uit je comfortzone en zet die stap maar eens naar iemand die je niet kent. Kan ik wat voor je doen? Mag ik iets voor je betekenen? We zijn aan elkaar verbonden, maar ik ken je niet echt. Vertel eens waar ben je dankbaar voor, heb je misschien ook zorgen?

Goed, terug naar deze man.

3. De ontmoeting

Twee dingen vallen op als de man bij Jezus komt. Als hij al die barrières geslecht heeft en Jezus vindt, dan valt hij voor hem op de knieën. Dat gebaar is een teken van eerbied en diepe afhankelijkheid. Hij erkent Jezus als de meerdere. De man geeft daarmee hoog op van Jezus. Elke Jood wist immers, dat alleen God melaatsen kan genezen. Als Naäman de Syriër, die aan melaatsheid lijdt, hoort dat er in Israël genezing is en bij koning Joram komt met het verzoek om genezen te worden van zijn kwaal, zegt de koning: Ben ik soms God, dat ik die doen kan? Genezing van een melaatse was bij uitstek een werk van God. Het is voor deze man dus bepaald geen kleine stap om te geloven dat Jezus hem kan reinigen.

Maar – en dat is het tweede – zal Jezus hem ook willen genezen? Wil Jezus hem, een onreine, een gevloekte, reinigen? Zal Jezus datgene weg willen nemen wat hem isoleert van God en de mensen? Daar kun je als mens ook mee worstelen. Dat je niet twijfelt aan de macht van Jezus. Aan het feit dat Hij de Zoon van God is en de door God beloofde Redder. Maar zou Hij het wel willen? Wil Hij jou wel genadig zijn? Juist nu die bepaalde zonde al zolang met je meegaat. Is zijn heil wel voor jou? Dat kan een bange vraag zijn. Als je naar je eigen leven kijkt, zijn er vaak genoeg ja-maar’s te vinden.

De man wordt niet lang in onzekerheid gelaten. En wij ook niet. Ik wil het, zegt Jezus. Dat is duidelijk. Je hoeft aan de wil van Jezus om je genadig te zijn, niet te twijfelen. Wie je ook bent, wat je verleden ook is geweest, je bent welkom bij Hem. Laat dat vanmorgen heel duidelijk zijn. Je klopt nooit te vergeefs bij Jezus aan. Vanmorgen staat Hij voor je en zegt tegen je: Ik wil het. Hoor je dat?! Wat je nood ook maar is. Je zonde. Dat waarvoor je je schaamt. Dat wat je isoleert van de anderen. Jezus zegt: vertel het me maar. Kom er maar mee voor de dag. Hier ben Ik. Vandaag is het heden van genade.

Weet u, wat ik zo ontroerend vindt? Dat de wil van Jezus geworteld is in zijn ontferming! Want voordat Jezus de woorden ‘Ik wil het’ spreekt, lezen we dat hij innerlijk met ontferming bewogen is (vers 41). Dat is de eerste reactie van Jezus als mensen naar Hem toekomen.

Marcus gebruikt hiervoor een heftig woord, dat wij weergeven met ingewanden: hart, longen, lever. Jezus is zozeer bewogen, dat hij de pijn, de nood, tot in het diepst van zijn lichaam voelt. De barmhartigheid en bewogenheid die Jezus heeft, komen dus heel diep van binnen. De pijn van de mens in nood en de goddelijke ontferming komen samen in het hart van Jezus. Jezus is innerlijk met ontferming bewogen.

4. De aanraking: een vrolijke ruil

En deze ontferming wordt concreet, want Jezus streks zijn hand uit en raakt de man aan. Waarom doet Hij dat? Hij had toch ook, net als bij de bevrijding van de man met de onreine geest, en de genezing van de schoenmoeder van Petrus, en de verlamde in het volgende hoofdstuk, door het woord kunnen genezen. Jezus had toch kunnen volstaan met het machtswoord ‘ik wil het, wordt rein’. Dan was de man ook gereinigd. Aanraking van de man zou Jezus ook onrein maken. Maar toch staat het hier met nadruk: Jezus raakte hem aan. Dat is ontroerend gebaar. Niemand zal de man hebben durven en willen aanraken. Je paste er wel voor op om besmet te raken. Dat is een van de dingen die je niet moet doen. Dat weet iedereen. Denk even terug aan de uitbraak van de verschrikkelijke ziekte ebola. Bij een zo besmettelijke en gevaarlijke ziekte moest je als omstanders en hulpverleners driedubbel uitkijken, om zelf niet besmet te worden.

Jezus raakt de man aan. Hij doorbreekt het isolement. Het isolement tussen God en mens. Dat is van een geweldige betekenis. Jezus bekommert er zich niet om hoe de man onrein is geworden. Wat zijn verleden ook geweest is. Nu is het heden van de genade. Hij raakt hem aan. En in die aanraking trekt Jezus alle onreinheid naar zich toe. Daarmee verkondigt deze aanraking ons het evangelie. Jezus is namelijk gekomen om al onze onreinheid op Zich te nemen. Jesaja 53 zegt: dat hij al onze zonden en ziekten heeft gedragen. In de aanraking voltrekt zich het heil van God. De vrolijke ruil waar Luther over sprak.

Misschien ken je het spreekwoord wel: ‘van ruilen komt huilen’. Als je iets dat van jou is met iemand anders ruilt, dan kun je er later spijt van krijgen. Van ruilen komt huilen.

Maar van deze ruil krijgt niemand spijt. Want een vrolijke ruil is dat je schuld ruilt voor bezit. Dat je simpelweg krijgt wat je niet hebt, niet verdiend en ook niet kan verdienen. Dat je niets geeft en er alles voor terug krijgt. De vrolijke ruil, noemt Maarten Luther dat. Het is de kern van zijn ontdekking, de kern van het evangelie: God biedt een ‘vrolijke ruil’. Jij geeft Hem je fouten en Hij geeft jouw Zijn gerechtigheid. Jij geeft Hem je onreinheid, Hij geeft jouw Zijn heiligheid. Jij geeft jouw totale mislukking en Hij maakt je tot meer dan overwinnaar. Jij biedt Hem je pijn en Hij geeft jouw Zijn vreugde. Je geeft Hem je gebondenheid, Hij geeft je vrijheid.

Ik weet niet hoe u of jij hier zit vanmorgen. In deze dienst geven we extra ruimte aan het gebed. Maar is het gebed bij uitstek niet het middel om te ruilen. Dat je net als deze man, met je gebrokenheid naar Jezus gaat, met je onreinheid, je ziekte, en dat je Hem vraag Zijn vergeving, Zijn leven, Zijn reiniging ervoor in de plaats te stellen.

Jezus is niet alleen een God die het wil, maar die het ook doet! Ook vandaag.

5. De wegzending

Zo wordt deze mens die tot Jezus kwam met de nood van zijn leven gezegend. Wie tot God zijn toevlucht neemt, zal niet beschaamd worden. Dan stuurt Jezus de man weg. Hij mag er met niemand over praten. Hij moet eerst naar de priester gaan. Dat laatste kunnen we ons wel voorstellen, dat eerste minder. Dat Jezus de man naar de priester stuurt, betekent dat Jezus de wet van God niet afschaft. Volgens de wet moest iemand die genezen was zich tonen en rein verklaard worden. Daarna moest hij een offer brengen. Een offer van dank aan God. Zoals Mozes had voorgeschreven. De man moet deze stap zetten tot een getuigenis voor ‘hen’, de priesters en tempeldienaars. Daar zit iets in van: als God zijn werk doet, doet Hij het goed. Als iemand genezen wordt, dat zal dit ook door de dokter bevestigd kunnen worden. God doet geen half werk. Zo zal de man ook naar hen toe kunnen getuigen, van de ontferming van God. De priesters die er wel heel ambivalent in stonden, die zo hun bedenkingen hebben naar Jezus toe. Zij kunnen er niet omheen dat in Jezus het Rijk van God gekomen is. Laat uzelf aan de priester zien. Marcus vertelt het niet, maar we mogen vermoeden dat de man Jezus hierin gehoorzaamd heeft.

Maar één ding doet de man niet. De man mag tegen niemand iets zeggen over het wonder dat hem ten deel viel. Dat is opvallend. Waarom wil Jezus dit niet? Misschien vanwege het misverstand, dat Jezus een wonderdoener zou zijn, die alleen maar zieken geneest. Maar Jezus is meer. Zijn genezingen komen voort uit zijn verzoeningswerk. Het zijn tekenen van het koninkrijk van God. Als Marcus vertelt dat Jezus op weg is naar Jeruzalem, dan gaat Hij daar heen om zijn leven af te leggen als een offer. Hij gaat heen om zich te laten breken als zoenoffer voor de vergeving van onze zonden. Verzoening is dat Jezus het isolement doorbreekt, tussen God en ons. Het isolement van het gescheiden zijn van God en het missen van Zijn heerlijkheid door de zonde. Jezus gaat als de Middelaar om de relatie tussen God en ons te herstellen. Pas als dat isolement doorbroken is, kan zijn genade weer gaan stromen. Jezus wil niet dat daar misverstand over bestaat.

Maar de man is heilig ongehoorzaam. Hij kan zijn mond niet houden. Overal vertelt hij wat Jezus aan hem gedaan heeft. Waar het hart vol van is, loop de mond van over.

Wij hoeven gelukkig onze mond niet meer te houden. Als de Here Jezus vanmorgen naar je toekwam, en Zijn hand op je leven legde, of als je straks na de dienst bij het moment van voorbede, door Gods Geest wordt aangeraakt, houd het dan niet voor jezelf. Laat iedereen het maar horen. Amen.