Als God een vraag is …

Schriftlezing: Psalm 105:1-15 en 42-45
Datum: 20 september 2020
Download PDF


1. Bestaat God?

Als er één vraag is, die mensen al eeuwenlang stellen, dan is dat de vraag naar het bestaan van God. Bestaat God? Kan ik Hem kennen? Als Hij bestaat, wie is Hij dan? Vragen die voor veel mensen levensvragen zijn.

Bestaat God? Een atheïst beantwoordt de vraag ontkennend. Een agnost zal de vraag niet kunnen beantwoorden. Toch hebben mensen van oudsher met deze vraag geworsteld. Dat is ook niet zo verwonderlijk, omdat wij mensen geschapen zijn naar het beeld van God. Of we nu wel of niet gelovig geworden zijn, diep in ons zit een soort van godsbesef. Een besef dat er meer moet zijn tussen hemel en aarde, dat het met de dood niet afgelopen kan zijn. Hoeveel mensen rekenenniet met een voortbestaan na de dood, ook als ze niet gelovig bent. Prediker uit de Bijbel zegt dat wij mensen geschapen zijn met de eeuwigheid in ons hart.

Maar dat besef kan natuurlijk behoorlijk onder druk staan. Je kunt allerlei intellectuele bezwaren of vragen hebben, die je er van weer houden, om echt gelovig te zijn. Heel vaak ontstaat twijfel aan het bestaan van God, als lijden ons treft. Ziekte, tegenslag, een gebroken relatie. Als God machtig is, waarom moet mij dit dan overkomen. Waarom grijpt Hij dan niet in? Twijfel aan God vanwege alle ellende in de wereld. Als God bestaat, waarom is het dan in deze wereld zo’n puinhoop? Vragen die ons ook niet vreemd zijn. Geloven is het mooiste dat je kunt overkomen, je gunt het iedereen, maar geloven is niet gemakkelijk. Vragen gaan soms levenslang met je mee.

Als God een vraag is …

Dat is ook de titel van het nieuwe boek van dominee André Troost. Hij gaat in dit boek – al wandelend door Amsterdam – in gesprek met zijn kleinzoon Floris. Floris is een puber vol nieuwsgierige en kritische vragen over het geloof. Dit boek is de weerslag van hun gesprekken. Al pratende zoekt hij naar antwoorden. Als God een vraag is…

2. De worsteling van Israël

Waarom deze inleiding? Nou dat heeft met Psalm 105 te maken. U weet, psalmen zijn in een bepaalde situatie ontstaan en met een bepaald doel geschreven. Uitleggers hebben er op gewezen dat de taal van deze psalm en de uitdrukkingen vandit lied, sterk lijken op gedeelten uit Jesaja. Met name Jesaja 40-66. U weet misschien wel dat deze hoofdstukken van Jesaja te maken hebben met de tijd van de ballingschap. Het volk Israël is door de Babyloniërs 587 BC in ballingschap gevoerd. De soldaten hebben grote delen van het land verwoest, steden geplunderd, de tempel ligt in puin, mensen zijn uit huis en haard verdreven en door hen meegenomen naar Babel. Daar zitten ze dan. Vol met vragen. Waar zijn nu de beloften van God, dat Hij ons zou beschermen? Hoe zit het met het land dat God ons als eeuwigdurend bezit zou geven? Hoe zit het met de beloften die Hij aan Abraham had gegeven? Is God ons niet vergeten? Ziet Hij nog wel naar ons om?

Psalm 105 is geschreven om in die situatie het volk een hart onder de riem te steken. Om hen te herinneren aan wie God is.

Als wij dit lied op ons laten inwerken, zijn er twee lijnen waarlangs de dichter zich beweegt. Allereerst focust Hij op de daden van God. Wat Hij heeft gedaan en nog steeds doet. Ten tweede, legt hij ook de vinger bij wat het volk moet doen. Eerst de daden van God.

3. Wat God doet

De psalm begint met een aansporing om de daden van God onder de volken bekend te maken. Dat is opvallend. Als je twijfelt, doe je dat natuurlijk niet. Dan zit je met je gedachten bij jezelf. Wat doet de dichter? Hij probeert de aandacht te verleggen van de persoon, van het volk, met de vragen, naar God, en naar wat Hij gedaan heeft. Een belangrijke stap om twijfel te bestrijden. De dichter herinnert het volk aan wat ze weten, en waar ze bij waren. Hij probeert het zo levendig te vertellen, dat ze het gaan herbeleven. Zoals die meester of juf op school, die zo mooi kan vertellen, dat je op het puntje van je stoel zit, en je helemaal in het verhaal komt. Weet je nog wat Hij deed?

Vanaf vers 7 gaat het dan over de verkiezing. Hij is de God die ons uitkoos en met onze stamvader Abraham een verbond aanging. Hij beloofde ons een stukje land te geven om in vrijheid te kunnen wonen. Hij leidde ons door de woestijn. Hij erbij was toen we in Egypte aankwamen. Toen er hongersnood was, riep Hij Jozef en maakte hem onderkoning. Toen de onderdrukking groot was, vanaf vers 26, riep Hij Mozes om zijn volk uit Egypte te bevrijden en naar het beloofde land te brengen. Hij gaf brood uit de hemel, het manna. Hij zorgde voor kwakkels en water. Met andere woorden: de dichter probeert de blik van het volk te richten op de geschiedenis, op wat God voor zijn volk gedaan heeft.

Zal zoiets helpen? Misschien niet voor iedereen. Maar het is wel belangrijk. Ik moet denken aan het lied: ‘Tel uw zegeningen een voor een, tel ze alle en en vergeet er geen, tel ze alle, noem ze een voor een en ge ziet Gods liefde dan door alles heen’. Het kan dus gebeuren, dat als je terugkijkt naar je eigen leven, dat je je dankbaar voelt. Dat iets hebt van verwondering. Wie ben ik om dit mee te mogen maken. Misschien herken je daarin Gods hand of Zijn liefde. Mijn leven had heel anders kunnen verlopen, maar terugkijkend ben ik ook een bevoorrecht mens. Ik mag er zijn. Met mijn gaven en talenten. Als je denkt aan wat je van je ouders hebt meegekregen, hoe kostbaar vriendschap is, dat je van God een gelovige partner ontving, een huwelijk of jubileum, of niet te vergeten de geboorte van een zoon of dochter, de adoptie. Zo’n bijzonder geschenk. Iedereen, gelovig of niet, is daarover verwonderd. Waarom zouden wij daarin de hand van God niet kunnen zien?

Kijk zegt de dichter. Zo is God betrokken geweest op jullie leven. Hij heeft je lief, ging een verbond aan (denk aan je doop), Hij leidde je leven. Hij zorgde voor je en beschermde je tot op de dag van vandaag.

Tel je zegeningen en je ziet Gods liefde er doorheen. Ik hoop dat wij ons in deze dienst ook verwonderen over de trouw van God, die ook zo zichtbaar wordt in de doop van jullie kinderen. Ze mogen bij Hem horen!

Als de dichter aan God denkt, komen twee dingen in het bijzonder in zijn gedachten. Het eerste, de naam van God. Vers 1: ‘Loof de Heere, roep Zijn Naam aan’. Of met NBV: ‘roep luid zijn Naam, maak zijn daden bekend onder de volken’. Vers 2: beroem u in Zijn heilige naam. God heeft een naam. En die naam staat voor hoe Hij is. Zijn naam betekent: ‘Ik zal er zijn’. ‘Ik ben er bij’. Ook als je het niet ziet of ervaart, is Hij aanwezig in Zijn trouw. Anders dan de goden van toen. Die moest je offers geven, dan konden ze iets voor je doen. Maar deze God is er met Zijn hulp, niet omdat Hij iets krijgt, maar omdat Hij dat wil. Omdat Hij goed is.

Bijzonder, dat deze God vanmorgen in de doop zijn Naam verbindt aan de naam van onze zoon of dochter. Daarmee zegt Hij tegen ons en onze kinderen: ik zal er voor jullie zijn. Je kunt altijd op Mij aan. Dat is mijn Naam.

En het tweede, is dat God altijd zijn belofte nakomt. Wat Hij belooft, doet Hij ook. In vers 9 en 42 gaat het over Abraham. God had aan hem een belofte gegeven. Een stukje land en een groot nageslacht. En door Abraham heen zou God de hele wereld zegenen. En dan zit het volk in Babel en twijfelt of het allemaal waar is. En dan herinnert dit lied hen eraan, dat die oude belofte nog steeds geldt. God is trouw aan wat Hij heeft beloofd. Abraham, hoeveel jaar geleden? 2000 voor Christus. Meer dan 1400 jaar geleden. Onvoorstelbaar. God vergeet Zijn beloften niet. Ja zelfs in het NT wordt teruggegrepen op die oude belofte van Abraham. In Lucas 1 in de lofzang van Zacharias: ‘de eed die Hij aan Abraham onze vader gegeven heeft om ons te geven dat wij verlost uit de hand van onze vijanden Hem zouden dienen zonder vrees’. De belofte aan Abraham gedaan is in de komst van de Heere Jezus vervuld is. Hij is gekomen om ons van onze zonden te verlossen. Er zit een geweldig tijd tussen, maar wat God belooft komt Hij altijd na. Daar is de Bijbel glashelder over.

Zo breekt de dichter een lans voor de betrouwbaarheid van God. Ook al dwaalt het volk af en gaat het zijn eigen weg, God blijft zijn naam trouw: ik zal erbij zijn. Hij trekt verder, Hij gaat mee, ondanks zijn verdriet. Hij laat niet los wat Zijn hand begon.

3. Wat God van ons vraagt

Dan de tweede lijn in de psalm. De dichter doet ook een appel op het volk en op de mensen. Want wat gebeurt er meestal als je aan het twijfelen raakt. Dan komt de klad in de omgang met God, in het gebed en het lezen van de Bijbel. In het begin gaat het nog wel, maar vaak wordt het steeds minder. Daarom het appel in vers 4: zoek Zijn aangezicht voortdurend. Dat gaat over de omgang met God. Blijf die omgang zoeken. Laat het niet van je gevoel afhangen. Wie klopt, zal opengedaan worden. Wie Hem zoekt, zal Hem vinden. Maar als je God niet dagelijks zoekt, zul je Hem overdag steeds minder vaak tegenkomen.

Zoek zijn aangezicht voortdurend. Het staat hier heel persoonlijk. Zijn aangezicht. Dat maakt het gebed tot een ontmoeting. God staat met open handen op ons te wachten. Hij laat niemand in de kou staan. Nee, je krijgt heel vaak geen antwoorden, maar wel Zijn vrede.

En het tweede appel: ‘spreek aandachtig van al Zijn wonderen’, vers 2. Oefen jezelf erin om God ter sprake te brengen als je aan tafel zit als gezin, als je je vrienden ontmoet, bij een goed gesprek met een collega. Oefen jezelf erin om dat wat God voor je heeft gedaan te benoemen. Er iets over te zeggen. Kijk eens terug op een dag: heb je de naam van God op je lippen gehad? Niet niet te pas of te onpas, maar op het moment dat het kon of passend was. Of heb je op een dag helemaal niet aan Hem gedacht. Secularisatie vindt plaats als de naam van God uit ons spreken verdwijnt. De volgende stap is dat Hij uit ons leven verdwijnt. Daarom de aansporing: spreek met aandacht over Hem en over zijn daden.

Doopouders, dat mag je doen met je kinderen. Als ze nog heel klein zijn. Vertel de verhalen uit de Bijbel. Leer ze bijbelliederen. Bidden voor het eten en bij het slapen gaan. Wees ook persoonlijk over wie God voor je is. Als je dankbaar bent, als je dingen moeilijk vindt, oefen je erin om de zegeningen van een dag te benoemen en daar God voor te danken. Tel je zegeningen en je ziet Gods liefde er door heen.

Zo kan de dag waarop je gedoopt bent of belijdenis deed ook een moment zijn om herinneringen op te halen. De zegeningen die je van God hebt ontvangen. God heeft al heel jong zijn hand op Mijn leven gelegd. Ik mocht in het midden van de gemeente ja zeggen tegen God, omdat Zijn liefde mij te sterk was geworden. Spreek er maar over.

En dan als derde appel, in vers 45, het laatste vers, ‘wees gehoorzaam’. Geloof heeft ook met gehoorzaamheid te maken. Als je van iemand houdt, dan wil je geen dingen doen die de ander niet fijn vindt. Als God iets van ons vraagt, verlangtHij er naar dat we naar Hem luisteren. Zo zijn de geboden ook bedoeld, als piketpaaltjes die weg aangeven die Hij wil dat we gaan. Ze zijn bedoeld om ons te helpen. Maar als we die negeren, doen we de Heere God verdriet, en verdwalen we in het leven.

Het is alsof de dichter zegt: ook al twijfel je, blijf gehoorzaam, laat de geboden van God (over de rustdag, je tijd, geld en relaties, over wat je zegt en hoe je met anderen omgaat) niet links liggen. Verlies de geboden van God niet uit het oog. Dan blijf je op het goede spoor. God zegent gehoorzaamheid. Zo voorkom je dat je afdwaalt en steeds minder van God gaat opmerken in je dagelijkse leven.

Twijfel kun je dus bestrijden, door volharding, door trouw te blijven in de dingen van het geloof. Alleen is dat soms moeilijk, maar we staan er niet alleen voor. God geeft ons aan elkaar, om ons te stimuleren, aan te sporen, te corrigeren soms. Maar laten we elkaar vasthouden in deze toch wel moeilijke tijd.

4. Overvloedige genade

Ik ga afronden. Het lied legt de focus op de daden van God. Het doet een appel op het volk van God. Maar er is één ding dat niet onvermeld mag blijven.

Er is in dit lied een royaliteit van genade bij God. Hij denkt aan zijn verbond tot in duizend generaties (vers 8). Daar zit een geweldige overvloed in. God wil een Vader zijn van een menigte van volken. Zij mogen net als Israël bij Hem horen. Hoe kan dat? Doordat God de deur van de genade heeft opengezet. Dat heeft Hij in de persoon van de Heere Jezus gedaan!

Wat deed God in de moeilijke situatie van Egypte. Vers 17: Hij zond Jozef. Daarna, vers 26, zond Hij Mozes. Zo is God betrokken op zijn volk Israël. Het was vaak ongehoorzaam. Dwaalde bij Hem vandaan. Maar God bleef het trouw, want dat Hij aan Abraham beloofd. In diezelfde beweging heeft Hij Jezus gezonden. Ten laatste zond Hij zijn Zoon. Om als Messias de zonde van Israël te verzoenen. Maar Gods oog was ook gericht op alle volkeren. Jezus is gekomen als de redder van de wereld.

Wat is het probleem van ons mensen. Zonde, zegt u. Ja, maar wat is dat: dat we ons door God niet laten gezeggen. Dat we ons niet door Hem laten gezeggen. Dat is het virus waar we allemaal mee besmet zijn.

Maar God zond zijn eigen Zoon naar deze aarde. Hij stierf op Golgotha. Hij deed verzoening voor de zonden die wij hebben begaan. Zijn dood brak de geest van rebellie. Omdat Jezus zijn leven wilde geven, is de genade van God voor ons mensen beschikbaar. Dankzij Jezus mogen wij dopen. De doop laat iets zien van de overvloed van Gods genade.

Als God een vraag is voor je … kijk dan eens goed naar de doop, dat is niets anders dan de omarming van God. Laat je hart er door raken.

Die omarming vraagt een antwoord van onze kant. Laten wij ons door God omarmen en mag Hij het voor het zeggen hebben in ons leven? Ik hoop dat wij ons ook – voor het eerst of opnieuw – gewonnen aan deze God. Het verbond dat God met ons aangaat, vraagt geloof. Wat is geloven anders, dan belijden: Heere, ik heb het niet verdiend, maar U bent mij te sterk geworden.

Ik bid dat het zo bij u en jou zal zijn. En dat je met mij mee zegt: ‘Loof de Heere mijn ziel en vergeet niet een van zijn weldaden, want ik Zijn liefde dwars door alles heen’. Amen.