Gelukkig de mens die leeft met God!

Schriftlezing: Psalm 84 - 2 Korinthe 6:14-7:1
Datum: 14 december 2014
Download PDF


1. Inleiding.

Als je de dichter moet geloven, dan is één ding voor hem zo helder als het maar kan: wie met God leeft is gelukkig. Volmaakt gelukkig. Tot drie keer toe zegt hij dat namelijk in de psalm: ‘Welzalig zij die in uw huis wonen’ (vs. 5), dat zijn mensen die veel en vaak in de nabijheid van God verkeren, ‘Welzalig de mens van wie de kracht in U is’ (vs. 6), mensen die niet in eigen kracht leven, en aan het slot ‘Welzalig de mens die op U vertrouwt’ (vs. 13). Gelukkig ben je als je met deze God omgaat en met Hem leeft.

Gelukkig. U voelt wel aan – denk ik, hoop ik – dat dit niet allereerst gaat over je gevoel of over emoties. Want er zijn in het leven heel wat momenten waarop we helemaal niet gelukkig zijn. Bij ziekte of zorgen. Bij moeiten of problemen. Nee, gelukkig betekent hier voor de dichter vooral ‘beter af’. Als je leeft met deze God dan ben je beter af, beter af dan iemand die niet met Hem leeft. En de dichter probeert dat in de rest van de psalm duidelijk te maken, waarom dat zo is. We komen zijn visie op het spoor, als we kijken naar wat hij over God zegt. En – dat is daarmee verbonden – we kijken ook naar wat hij over de mens zegt. Wat deze God van de mens verwacht. Volgens de reformator Calvijn horen die twee ook bij elkaar: kennis van God en kennis van de mens zijn nauw met elkaar verbonden. God leer je beter kennen, als je ook jezelf beter leert kennen. Dus twee vragen staan centraal: wat zegt de Psalm over God? En wat zegt de Psalm over de mens?

2. Wie is God?

Een paar dingen zegt de dichter over God. Hij noemt God mijn koning (vs. 4). Dat wil zeggen: God is degene die de regie heeft in zijn leven. Hij noemt God een ‘schild’ (vs. 10, 12). Dat is degene die hem beschermt. Hij noemt God een ‘zon’ (vs. 12). Dat is degene die het donker op doet klaren, die maakt dat hij weer een weg ziet. Maar ik wil vanmiddag vooral nadenken over wat hij zegt in vers 3. Daar zegt hij: mijn hart en mijn lichaam roepen het uit tot de ‘levende God’. De dichter is met heel zijn bestaan gericht op Hem, die de levende God is. De God die hij liefheeft, is de levende God. De God die leeft. Dat is een bijzondere uitdrukking. Het heeft in het OT een speciale betekenis. Een paar voorbeelden.

In het boek Jozua, als het volk op het punt staat de Jordaan over te steken en een nieuwe toekomst tegemoet gaat, bemoedigt Jozua het volk met deze woorden: Hieraan zult u weten dat de levende God in uw midden is: Hij zal er zorg voor dragen, dat het volk door de rivier heen in het beloofde land komt. God zal het volk een veilige doortocht geven, want Hij is de levende God.

Of als de Filistijn Goliath het volk Israël tart en beledigt, dan wordt van hem gezegd, dat hij het volk en het leger van de levende God tart. Op belangrijke momenten in de geschiedenis van Israël, vooral bij de profeten, komen we tegen, dat de Here de levende God genoemd wordt. In de confrontatie met machten en afgoden. Afgoden bewegen niet, zij spreken niet, zij kunnen niet handelen, het zijn maar beelden. Maar de Here is de levende God. Hij is niet opgesloten in een beeld, maar Hij spreekt en handelt. Je kunt merken dat Hij er is. Als Hij aanwezig is, dan gebeurt er altijd wat.

Ook in het NT komen we deze uitdrukking tegen. Als Paulus en Barnas op zendingsreis in Lystra komen, daar preken, en een verlamde man genezen, dan roept Paulus de mensen op, om zich van de afgoden af te wenden en zich te bekeren tot de levende God. Hij is die handelen kan en mensen geneest en bevrijdt.

Zo ook in Rom. 9, als Paulus spreekt over wat God doet onder de heidenen, dan citeert hij de profeet Hosea: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde. En het zal geschieden ter plaatse, waar tot hen gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden: kinderen van de levende God. Wie in de Here Jezus gelooft, is een kind geworden van de levende God.

En dan als laatste voorbeeld, schrijft Paulus aan Timotheus, die hij spoedig hoop te zien, deze woorden: Mocht ik nog uitblijven, dan weet je, hoe men zich behoort te gedragen in het huis van God, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid.

3. De Levende God!

En dat is waar de dichter van Psalm 84 dus de vinger bij legt, dat de Heere de levende God is. Hij is niet opgesloten in een beeld, in een traditie of een boek, maar Hij leeft en daarom spreekt en handelt Hij. Je kunt merken dat Hij er is. En zo mag de christelijke gemeente de gemeente van de levende God heten. Dat is de gemeente, waarin het merkbaar is dat God leeft. Ook vandaag kunnen wij Hem ontmoeten. Ook vandaag spreekt Hij en handelt Hij, net als toen. Elke keer als wij als gemeente samenkomen, mogen wij erop vertrouwen, dat de Heere, de levende God in ons midden is. Natuurlijk komen we samen rondom het Woord. Het ligt open op de kansel. Ik mag erover spreken en eruit preken. Maar wij zijn geen boekreligie zoals de Islam, en Alla ver verheven boven elke mens in zijn hemel. Nee, hier ligt het Woord van God en dat Woord brengt ons bij de God van het Woord. De levende God. Dat zei de Here Jezus ook tegen zijn discipelen. Waar twee of drie in mijn naam samen zijn, daar ben ik in het midden. En als Hij er is, in zijn genade, dan gebeurt er altijd wat. Ja, gemeente, wij mogen grote dingen verwachten, als wij samenkomen. Waarom? Omdat wij de gemeente zijn van de levende God. Hij is in ons midden aanwezig!

Hoe merk je dat de Here er is? Dat merk je bijvoorbeeld doordat het Woord van God binnenkomt in je hart. Je wordt erdoor bemoedigd, je ontvangt moed om verder te gaan. Of je wordt er juist door vermaand, je moet een eerste stap zetten naar iemand toe, je moet een concrete zonde belijden. Je komt er niet meer onderuit. De Here kan door zijn Geest je innerlijk aanraken, en je helen van een bepaalde pijn. Van verwondingen die je hebt opgelopen. Je ontvangt verhoring van een gebed. Er is een fysieke kwaal waar je van wordt genezen. Hoe het ook zij, wat er ook gebeurt, als we samenkomen als gemeente, dan mogen wij naderen tot de levende God. Dan komt de levende God op ons af, en Hij weet wat we nodig hebben. Hij komt nooit met lege handen. Wist u dat? Al wat u ontbreekt, schenk ik zo gij het smeekt, mild en overvloedig. Waarom? Omdat de Heere de levende God is!

4. Heilig leven.

Dan komen we bij de tweede vraag. Wat God van ons verlangt. Als je de levende God mag kennen, als je door het geloof met Hem verbonden ben, dan heeft dat invloed op je leven. We weten allemaal dat het zo werkt. Zeg me wie je vrienden zijn, en ik zal zegen wie je bent. Waar je mee omgaat, daardoor wordt je gestempeld. Als je door het geloof met de levende God verbonden bent, dan heeft dat consequenties. Als ik de dichter goed beluister, dan zijn er twee dingen die hij noemt.

4a. Gebaande wegen.

Er komt in het leven van de gelovige een gebaande weg. Zo lezen we in vers 5: ‘in hun hart zijn de gebaande wegen’. God maakt een weg waar geen weg was. Hun leven was een wildernis. Bomen, struiken, en allerlei begroeiing; er was geen doorkomen aan. Maar God maakte daarin een pad. Wat wordt daarmee bedoeld? Ik denk dit: Dat in je hart geen obstakels zijn. Ik herinner mij het beeld, uit de tijd dat een oom van mij zendeling was in Indonesië. In het binnenland van Papua Nieuw-Guinea. En naarmate de zending daar meer voet aan de grond kreeg en er meer mensen tot geloof kwamen, begon men overal kleine dorpjes te bouwen. En bij die dorpjes maakt men ook een strip. Een landingsbaan voor de kleine vliegtuigjes van de MAF. Wat deed men dan? Men zocht een grasveld uit, dat goed bereikbaar was vanuit de lucht. Men kapte de bomen, trok het struikgewas uit de grond. Men haalde de rotsblokken weg. En zo maakte men vrij baan voor het vliegtuig, zodat het kon landen.

Een gebaande weg in je hart. Dat is het werk van de Heilige Geest. Hij is de grootste gelijkmaker in de wereld. Een goddelijke bulldozer. Alles wat hoog is, brengt Hij omlaag. Trots en hoogmoed breekt Hij af. Alles wat laag is, dat verheft Hij. Als we denken dat we niets zijn, nooit meer kunnen opstaan, dan richt Hij ons juist weer op. Zo is Hij bezig. Hij wil geen obstakels naar God toe, geen verborgen zonden. Hij helpt je om die te belijden. Je boosheid of koppigheid. Hij helpt je om vergeving te vragen. Ruzie. Hij helpt je om het goed maken, voor zover dat kan. Als je mot hebt met je eigen man of vrouw, of met een van de je kinderen, dan is het moeilijk om te bidden, zegt de apostel. Dan moet je het samen eerst uitspreken. Een gebaande weg. Soms is dat natuurlijk moeilijk. De minste durven zijn. Je kwetsbaar opstellen naar de ander. Je loop het risico dat je op je hart wordt getrapt. Maar het is wel de weg die de Here van ons vraagt. Kun je dat in eigen kracht? Nee, dat is moeilijk. Daarom zegt de dichter ook: welzalig de mens van wie de kracht in U is. Als je dat ontdekt, dat bij God kracht is te vinden, hulp om te gehoorzamen, dan ben je gelukkig. Die kracht is niemand minder dan de Heilige Geest. Hij maakt in je leven een gebaande weg, ook al denk je dat het niks wordt, en je ziet alleen struiken en bomen. Hij is machtig om daar dwars door heen te breken.  Bidt maar dat die Geest ruimte krijgt in je leven. Die droge vallei, waar helemaal niets leek te groeien, dat maakt de Heilige Geest tot een bron. Er ontspringt nieuw leven, midden in de woestijn. Een gebaande weg die je dichter brengt bij God.

4b. Goddeloze tenten.

En nu het tweede. Dat lezen we in vers 10. Ik kies ervoor liever op de drempel van het huis van God te staan, dan te wonen in de tenten van de goddeloosheid. Het huis van God staat tegenover de tent van de goddeloosheid. In het huis van God, op de plek waar de gemeente samenkomt, daar is de levende God te ontmoeten. Daar is te merken dat Hij handelt en spreekt. Maar er zijn ook plekken waar Hij niet is, waar je Hem niet kunt ervaren. Als je zegen van God wilt ontvangen, als je Zijn stem wilt horen, als je wilt dat het Woord voor je tot leven komt, dan moet je daar dus niet zijn. Dan moet je niet in goddeloze tenten wonen. Wat wordt met dat laatste bedoeld? Het woord goddeloosheid heeft eigenlijk twee betekenissen: goddeloosheid in de zin van god-loosheid. Loos betekent leeg of afwezig. Plekken waar God dus niet te vinden is. Waar Hij zijn zegen niet schenkt. Goddeloosheid, dat woord betekent ook onrecht. Plekken waar dingen gebeuren die lijnrecht ingaan tegen Gods plan en wil. Waar mensen uit zijn op macht, aanzien, ten koste van anderen.

Tenten van de goddeloosheid, dat zijn plaatsen waar de levende God dus niet te vinden is. De vraag die op ons afkomt: als wij de Here echt willen leren kennen, als wij ernaar verlangen om Hem te ontmoeten, Zijn stem te horen, Zijn zegen te ontvangen, dan heeft dat dus consequenties voor wat we doen, wat we zien en waar we zijn. Als je met je vrienden uitgaat, als je samenkomt met je collega’s, als je naar de film of televisie kijkt, als je luistert naar muziek, dan is er maar één vraag belangrijk: brengt het je dichter bij de levende God of juist bij Hem vandaan? Wil je groeien in je relatie met Hem, dan zul je dus keuzes moeten maken, en nee durven zeggen. Nee, ik doe daar niet aan mee.

Gemeente, er staat voor ons iets op het spel. Als wij ervoor kiezen, om ons te voeden of bezig te zijn met dingen die niet goed zijn voor onze relatie met God, dan lopen we het risico Hem steeds minder op te merken en te ervaren in ons leven. Als je de levende God niet meer ziet, niet meer kunt ontmoeten, als de Here Jezus uit beeld raakt, dan ebt het leven uit je weg. Dan verschraalt de omgang met de Here. Dan ervaar je steeds minder van Zijn kracht. Dan wordt je leven net zo droog als het dorre dal vande moerbeibomen, waar de dichter over spreekt.

Durf nee te zeggen. Kies ervoor om de relatie met de Here de hoogste prioriteit in je leven te geven.

Natuurlijk gaat het er niet om dat je wereldvreemd bent. Voor je werk ga je met mensen om die niet geloven. Een christen bevindt zich midden in de wereld. De wereld bevindt zich ook in mij, in mijn hart. Ook wij zijn moderne mensen. Misschien heb je wel allerlei vrienden die niet geloven. Maar jij kunt een verschil maken. Door niet mee te gaan of mee te doen, maar ja te zeggen tegen de Here.

5. Slot.

De dichter van Psalm 84 heeft ook die keus gemaakt. Ook hij, net als wij, was met alle vezels van zijn bestaan verbonden aan de wereld waarin hij leefde. Daarin maak je fouten. Natuurlijk ook wij. Ook ik. Door je keuzes doe je de Here soms verdriet. Denk je bij jezelf: wat breng ik er soms weinig van terecht. Wat gaat er eigenlijk van mij als gelovige uit?

Maar weet u, er is nog een geheim in de psalm. Een diepe waarheid. Er staat namelijk een zinnetje in de Psalm, dat zo bijzonder is: vers 9: o God, ons Schild, aanschouw toch het aangezicht van Uw Gezalfde. Dat gaat waarschijnlijk over de Koning. Maar er zit een diepere lading in. Het is een gebed tot God: aanschouw toch het aangezicht van Uw Gezalfde. De Messias. Dat is de Here Jezus. Here, kijk toch naar Hem. Hij is Uw Gezalfde. Hij is de man naar uw hart. Hij legde zijn leven af tot een volkomen verzoening. Ook voor mijn zonden. Dat hebben we gevierd in het HA vandaag.

Als je als mens faalt en de Here verdriet hebt gedaan, mag je pleiten op het werk van Jezus. En tegen God zeggen: zie toch aangezicht van Uw gezalfde. Kijk niet naar mij, maar naar Hem. Dan komt er ruimte. Dat geeft moed om weer verder te gaan. Om als je valt, weer op te staan en opnieuw te beginnen.

Want God de Heere is de levende God. Hij is zo goed en zo mild, Hij zal het goede niet in nood, onthouden, zelfs niet in de dood, die in oprechtheid (dat is in afhankelijkheid, met lege handen), voor Hem leven.

Ja, dat kun je met de dichter instemmen: Gelukkig Heer, die op u bouwt en zich geheel aan u vertrouwt. Dat doe je toch ook? Amen.