(6) Geloof en verkiezing: hoevast in onzekere tijden!

Schriftlezing: 1 Thessalonicenzen 1
Datum: 22 maart 2020
Download PDF


1. Het ligt vast

We beleven onzekere tijden. Aan alle kanten worden we geconfronteerd met onze kwetsbaarheid en dat we dus zomaar ziek kunnen worden van het virus. Er komt een dikke streep door al onze plannen en projecten, onze agenda’s die vol zaten tot eind van het jaar of nog verder vooruit, een vakantie of weekendje uit dat niet doorkan gaan. Je kunt niet verder met je studie of school, je werk, nu moet je thuis proberen te werken en zoveel mogelijk online dingen te doen. Alles loopt anders. Zomaar zitten we thuis en moeten we ons onthouden van sociale contacten. Veel dingen zijn onzeker geworden. We weten niet wanneer het onheil van het virus voorbijgaat.

Als alles donker lijkt of onzeker is, vallen we in de kerk terug op God en Zijn beloften. De bijbel zegt dat, als alles in beweging is, God niet wankelt. Als alles onzeker is, is daar de vastheid van de beloften van God. Jezus zegt: ‘hemel en aarde zullen voorbij gaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan (Mat. 24:35).

Vanmiddag staan we stil bij de zekerheid en de troost van de uitverkiezing. Een kernthema in de Schrift en in de gereformeerde theologie. Sommige theologen noemen de ‘verkiezing’ het cor ecclesiae, het hart van de kerk. De zekerheid dat God mensen verkiest tot het heil en tot het eeuwige leven. De zekerheid die met name in de tijd van de Reformatie herontdekt is. God is degene die mensen verkiest, hen roept en tot geloof brengt. Hij zelf draagt daar zorg voor. Uitverkiezing betekent, dat ons heil vastligt in de handen van God. Dat is bijzonder troostvol. Alles onzeker is, is er de zekerheid van het geloof, dat onze eeuwige bestemming geborgen is in Gods verkiezende liefde.

2. Bron van verwondering

De uitverkiezing is een bron van verwondering en diepe dankbaarheid. Ik mag bij God horen! Ik mag door het geloof delen in het eeuwige leven. Zo spreekt de apostel Paulus erover op allerlei plekken. In Efeze 1:4 en 5 prijst hij God dat hij de gelovigen vóór de grondlegging van de wereld in de Here Jezus uitverkoren heeft, dat zij voorbestemd zijn om als kinderen van God aangenomen te worden. Elders horen wij Paulus zeggen: ‘wij danken God altijd voor u, broeders, die geliefd bent door de Heere, dat God u van het begin verkoren heeft tot zaligheid’ (2 Tes. 2:13).

En in het bijbelgedeelte dat we lazen, dankt Paulus God wanneer hij aan de gelovigen in Thessalonica denkt. Hij dankt God voor hun geloof, liefde en hoop. En voegt daar dan in een adem aan toe: hun verkiezing door God. Paulus dankt God dat de gemeente en de gelovigen door God uitverkoren zijn. De zekerheid dat zij door God verkoren zijn maakt dat Paulus vol vreugde en dankbaarheid is. En dat in een omgeving waar veel gebeurt. Thessalonica was een bruisende stad. De stad lag aan een belangrijke route van Rome naar India. Veel mensen kwamen er langs. Een mengelmoes van religies en culturen, maar in die stad was er een gemeente, in die stad was er een groep uitverkoren gelovigen, die Heere Jezus liefhadden en die met volle overtuiging, in woorden en daden, in deze stad de liefde van Christus lieten zien. En achter hun aanwezigheid zat de verkiezing van God. Zij waren verkoren om Christus toe te behoren en Hem in deze stad te dienen. Paulus is daar zo blij over en hij dankt met heel zijn hart God voor zijn verkiezende liefde.

3. Troostvol? Vragen!

Ik weet niet hoe jij of u zit te luisteren. Misschien liggen uw of jouw wortels wel in een kerk, waar de uitverkiezing een heel beladen thema was. Het feit dat Paulus God zo uitbundig prijst voor de uitverkiezing, dat vind je misschien moeilijk om mee te maken. Want het komt er in een mensenleven dan toch maar op aan of je uitverkoren bent of niet. Misschien ken je wel iemand die met deze vragen worstelt, of speelt het bij jezelf. Soms hoor je dat mensen op hun sterfbed hiermee worstelen, zoals die oude vrouw, die vlak voor haar sterven, alleen maar kon zeggen: ‘voor eeuwig verloren’, want verkiezen betekent toch ook, dat als God mensen kiest, Hij andere mensen niet verkiest of verwerpt. En als Hij dat al van eeuwigheid besloten heeft, dan ligt dat dus al vast. En is de grote vraag in ons leven: hoe weet ik dat ik uitverkoren ben? Sommigen zijn heel actief met deze vragen bezig. Anderen worden er lijdelijk of passief van: nou als God het al beslist heeft, dan wacht ik wel af. Als ik toch uitverkoren ben, zal ik er wel komen.

Het leerstuk van de uitverkiezing is voor veel mensen geen bron van troost maar een struikelblok. Het leerstuk roept veel vragen op. Ik herinner me een gesprek – jaren geleden – met jongeren van 18+ over dit thema. Het gesprek ging ongeveer zo: Ik stelde de vraag: ‘Wat betekent volgens jullie de uitverkiezing?’ Karel antwoordt: ‘Ik denk dat God het geloof voor jou bestemd heeft, dat Hij je uitkoos’. ‘Hoe kan dat nu’, reageert Anne, ‘dan komt dat zeker omdat je beter bent dan een ander. Dat geloof ik niet, uiteindelijk kies je zelf voor het geloof of niet, dat is jouw keuze.’ Willeke reageert spontaan: ‘Mijn oma heeft het daar vaak over. Zij denkt zo: als je niet uitverkoren ben, kom je niet in de hemel.’ Thomas: ‘Maar dat vind ik niet eerlijk. Het is net als met de wet gelijke behandeling, volgens mij moet je iedereen gelijk behandelen en niet zeggen: die komt er wel en die niet.’

Hoe kan het dat wat voor Paulus een bron van verwondering is, voor ons vaak aanleiding geeft tot vragen, onzekerheid en twijfel? Hoe kan dat? Ik denk, dat dit komt omdat wij er een logisch systeem van gemaakt hebben en de Bijbelse boodschap hierdoor op de achtergrond is geraakt.

4. Paulus over de uitverkiezing

Daarom is het goed dat we vanmiddag 1 Thessalonicenzen 1 goed lezen, want Paulus laat hier heel duidelijk zien hoe we de uitverkiezing moeten zien. Paulus dankt God voor de gemeente die er in Thessalonica is en hij weet dat zij door God verkoren zijn. Hoe weet Paulus dat dan? Heeft Hij kennis gekregen van de eeuwige raad van God en van Zijn besluiten voor de grondlegging van de wereld? Nee, dat is aan ons mensen niet gegeven. Ook aan Paulus niet. Maar Paulus kijkt naar de praktijk. Wat ziet hij daar in Thessalonika gebeuren? Paulus en Silas hebben daar het evangelie gepreekt. Het evangelie, de goede boodschap aangaande de Heere Jezus. Zijn leven. Zijn onderwijs. De tekenen en wonderen die Hij deed. Zijn sterven aan het kruis vanwege de zonden van de wereld. Zijn opstanding uit de dood. Zijn overwinning over de zonde, dood en duivel. Zijn hemelvaart. Alles wat een mens over Jezus en over het Koninkrijk van God moet weten, dat is hen verteld, verkondigd.

En die boodschap van het evangelie vond weerklank in de harten van de mensen daar. Dat was het bijzondere. Ze konden niet meer loskomen van die bijzonder Man uit Nazareth. Ze wilden de Heere Jezus beter keren kennen. Het was geen gemakkelijke tijd. De stad was vol afgoden. Er werd druk op de mensen uitgeoefend om loyaal aan Rome te blijven, om de keizer zijn offers te geven, om de goden niet te verwaarlozen, maar ondanks de druk van buiten, was er een innerlijke kracht, de kracht van Gods Geest, die hen de ogen opende voor de Heere Jezus. Zo hebben ze het Woord aangenomen (vers 6). Zo zijn ze tot geloof in de Heere Jezus gekomen. Ze hebben zich afgewend van de afgoden die ze dienden en toegewend naar de levende God en naar de Heere Jezus. En Paulus zag in hun harten een vreugde, die ze daarvoor niet kenden. De blijdschap van de Heilige Geest. De diepe verwondering dat iemand bij God mag horen en deel krijgt aan het eeuwige leven. Dat er een hoop is die niemand je kan afpakken. Een liefde die sterker is dan de dood. En een vast geloof in de trouw van God. Er was honger, de mensen waren als sponsen geweest. Gods Geest kon veel aan ze kwijt. Dat lezen we in vers 5: het evangelie was gekomen met kracht, met de Heilige Geest en met volle zekerheid. De Geest kon het Woord aan ze kwijt. Hij bevestigde in hun harten de waarheid ervan. De Geest getuigde aan hun geest dat ze kinderen van God zijn (Rom. 8:16). Ik hoor erbij. God heeft Mij lief. Mijn zondige leven daar wil ik niet meer mee verder, ja het is met Christus begraven in de dood.

En de verandering van hun leven, was niet onopgemerkt gebleven in de stad en de dorpen eromheen. Mensen zagen gelovigen die rust uit straalden, midden in een turbulente tijd. Die een vrede hadden die alle verstand te boven ging. Die liefde uitdeelden en niets daarvoor terugvroegen. Ze waren zonder dat ze het zelf in de gaten hadden voorbeelden geworden voor anderen in de streken van Macedonië en Achaje.

Wat zag Paulus dus gebeuren? De boodschap van het Evangelie vond weerklank in hun hart. Men kreeg de Heere Jezus lief en wilde Hem voor geen goud meer missen. De heilige Geest had dit gewerkt door de prediking heen. Dat was voor Paulus het bewijs dat de gemeente, dat de gelovigen door God waren uitverkoren!

De verkiezing van God realiseert zich, die vindt zijn weg, via de prediking van het evangelie. Gods verkiezende liefde komt in de Here Jezus naar ons toe. Hij is het hart van het evangelie. Gods steekt via het Woord zijn verkiezende hand naar ons uit. Dat is de Bijbelse weg. En als het Evangelie je hart raakt en je kunt niet meer loskomen van de Heere Jezus, dan mag je – zoals Paulus hier doet – weten dat je door God verkoren bent.

Zo eenvoudig is het, door de prediking behaagt het God mensen te verkiezen. In de Bijbel is er geen spanning tussen verkiezing en verkondiging. In Hand. 13:48 lezen we ‘allen die bestemd waren voor het eeuwige leven, kwamen tot geloof’. Hoe? Door de prediking van de apostel, in de synagoge in Antiochië. Door de prediking van het evangelie gaan sommige mensen geloven, en zo komen de uitverkorenen te voorschijn. En ook in Romeinen 10, midden in het betoog over de verkiezing en verwerping van Israël, pleit Paulus voor de prediking. Hoe kunnen mensen geloven in Christus, als ze niet van Hem gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? Met andere woorden: de verkiezing door God tot eeuwig behoud vindt zijn weg door het prediken en horen van het Evangelie. God gebruikt het Woord en de prediking om mensen te redden, wie tot geloof komt in Christus mag weten, dat hij of zij verkoren is.

In de christenreis van Bunyan wordt dat zichtbaar bij de enge poort. Aan de ene kant staat een hartelijke oproep om tot Christus te komen, aan de andere kant staat te lezen: ‘Ik heb u van eeuwigheid verkoren’. Wie gehoor geeft aan de oproep om in de Heere Jezus te geloven, wie zich aan Hem toevertrouwt, mag weten door God te zijn verkoren.

5. Maar…

Hoe komt het dat het onderwerp van de verkiezing tot zoveel problemen en vragen heeft geleid. Dat komt omdat de verkiezing op een bepaalde manier bekeken wordt. Je kunt er op twee manieren naar kijken. Je kunt denken vanuit het begin. Denk aan een lineaal. De tijd is de horizontale lijn. Aan het begin heeft God, voordat alles bestond, van eeuwigheid, besloten wie Hij wel en niet zou verkiezen. En die keuze van God wordt na de schepping van de mens en in de geschiedenis uitgevoerd. Er blijken mensen te zijn die geloven en mensen die niet gaan geloven. Dat is dan het gevolg van wat God ergens voor de tijd heeft besloten. Dat is een denken vanuit het begin.Voordat alles bestond heeft God deze keuze gemaakt.

Maar je kunt de verkiezing ook anders bekijken. Niet vanuit een beginperspectief, maar vanuit een boven-de-tijd perspectief. God staat boven de tijd. Hij is de Schepper van de tijd. Hij overziet het verleden, het heden en de toekomst. Vanuit de eeuwigheid. Maar wat heeft God gedaan? Hij is in de tijd gekomen. Hij heeft ervoor gekozen het menselijke leven binnen te komen. Hij was al betrokken op Israël, maar in het bijzonder treedt Hij in de persoon van de Heere Jezus de tijd binnen. Hij wordt mens. Eeuwigheid en tijd komen samen in de persoon van de Heere Jezus, als Hij mens wordt. De eeuwige verkiezing is dus geen lot uit de loterij, of iets dat zich aan het begin van de tijd voltrokken heeft, maar het is Gods besluit om zijn verkiezende liefde aan ons mensen te laten zien in de komst van Zijn eigen Zoon naar deze aarde. Dus, wij moeten niet over de uitverkiezing spreken los van de Heere Jezus.

Luther vertelt in één van zijn tafelgesprekken dat hij door de duivel aangevochten wordt, juist op het punt van de verkiezing. Op een zeker moment is hij radeloos en klaagt bij Von Staupitz, zijn kloos-teroverste. Deze zegt tegen hem: ‘Luther, als je disputeren wilt over de verkiezing, zie dan op de wonden van Christus. In de wonden van Christus versta je de verkiezing en nergens anders.’

Zo is het. Dat God mensen verkiest, dat Hij veel kinderen wil hebben, dat het vaderhuis vol moet zijn, dat de volheid van de heidenen moet ingaan, dat zit allemaal achter de komst van de Here Jezus. In Zijn komst komt God naar ons toe met open armen, komt tot Mij allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven. Laat Mij je Redder zijn!

Wie gehoor geeft, wie zijn zonden belijdt en gehoor geeft aan de roepstem van Christus, wie Hem niet meer kan missen, mag weten door God verkoren te zijn. Wij weten van uw verkiezing omdat u het Woord aangenomen hebt, zegt Paulus in 1 Thessalonicenzen.

6. Terug naar Paulus

Paulus ziet in Thessalonica dat het Woord zijn uitwerking niet mist en weet dat Gods verkiezende liefde zijn weg heeft gevonden in harten van mensen. Er is geloof, liefde en hoop. Mensen verlangen de levende God te dienen. Ze zien uit naar de komst van Jezus.

Gemeente, als wij de lijn doortrekken, dan is dat de juiste insteek. We moeten starten bij het evangelie, waarin de Heere Jezus naar ons toekomt. Het evangelie roept ons op tot geloof in de Heere Jezus. Doet je dat? U en jij? En als we Hem in geloof omhelzen, komt de verkiezing van God tot Zijn bestemming in ons leven. Dat we voorwerp van Gods verkiezing zijn, merken we aan de vruchten in ons leven: dat het Woord ons niet loslaat, dat er verlangen is om Christus beter te leren kennen, dat er verdriet is over zonde die we doen, dat we de Heere Jezus niet kunnen missen. Natuurlijk wisselt dat. En is dat vaak ook ten dele. Maar als het Woord ons niet loslaat, als we Christus niet kunnen missen, dan is zijn dat allemaal bewijzen van Gods verkiezende genade.

De enige vraag die er toe doet is deze: wie is de Heere Jezus voor u en voor jou? Heb je Hem lief? Ben je bereid je zonden te laten en Hem de regie van je leven te geven?

Rondom Christus valt de keuze. Heb ik Hem lief of niet. Als je Hem niet liefhebt, dan loop je het grote gevaar verloren te gaan. Ook dat kan. Maar God heeft ons daar niet voor over.

Geloof in de Heere Jezus, en je zult behouden zijn. En als de Here Jezus ons verlangen is, dan heeft Gods verkiezende genade ons bereikt. En mag het onze troost zijn, dat ik in leven en sterven het eigendom van Christus ben, die met Zijn bloed voor al Mijn zonden betaald heeft, en die Mij verlost van de toorn van God.

7. Slot

Ik eindig. Twee dingen nog.

(a) Dat God ons op het oog heeft en ons ondanks alles genadig is, dat mag ons tot troost zijn. God zelf draagt zorg voor de goede afloop. Ons houvast is dat God ons vasthoudt!

(b) Dat God ons op het oog heeft, mag ons ook volop aanzetten om God te dienen. In Thessalonica verspreide het geloof zich. Was het werk van het geloof, de inspanning van de liefde en de volharding van de hoop in alles zichtbaar.

Onze tijd van crisis vraag daar ook om. Mensen die niet voor zichzelf leven, maar die uitdelen wat ze hebben ontvangen: aan liefde, hoop, aan moed en vertrouwen. God geve dat we voorbeelden mogen zijn voor mensen in deze stad. Leesbare brieven van Christus. Dan zullen nog meer mensen de weg naar de Heere Jezus vinden.