Als Christus voor de ander zijn!

Schriftlezing: Lucas 10:25-37
Datum: 10 november 2019
Download PDF


1. Bekend, zelfs een spreekwoord

Als je vandaag de dag de weg neemt van Jeruzalem naar Jericho, vind je na zo’n 30 minuten rijden, aan de rechterkant van de weg, de herberg van de Goede Samaritaan. Een plek waar men vermoedt dat het verhaal van Jezus zich heeft afgespeeld. Er zijn resten van een kerk gevonden uit de 6e eeuw en nu staat er een museum. Hoewel het een verhaal is dat Jezus vertelt, een gelijkenis, heeft het zo tot de verbeelding gesproken, dat mensen uit de eerste paar eeuwen een plek zochten om het te lokaliseren. Daar moet het geweest zijn. Zo ongeveer.

Iedereen kan zich bij het kleine verhaal iets voorstellen. Het spreekt tot de verbeelding. Zozeer, dat het een bekende uitdrukking geworden is in onze Nederlandse taal. Een barmhartige Samaritaan is ‘iemand zich zonder eigenbelang over een ander ontfermt’, zo valt op een website te lezen. Of met de woorden van wikipedia: ‘Wat met deze gelijkenis wordt overgebracht, is dat telt wat iemand doet, niet wat hij is. En: niet alleen de letter van de wet, ook de geest van de wet moet worden nageleefd’.

2. Twee lijnen

Hiermee zitten we midden in de gelijkenis die vanmorgen centraal staat. We zien het voor onze ogen gebeuren. Een man wordt door rovers mishandeld, beroofd en halfdood langs de kant van de weg gedumpt. Een priester komt langs, daarna een leviet, maar die doen niks. Dan komt een Samaritaan die zich wel over deze man ontfermd. Waar gaat dit kleine verhaaltje over? Over naastenliefde en omzien naar mensen in nood? Jazeker, daar wijst de Here Jezus ons inderdaad op. Dat is de ethische interpretatie van deze gelijkenis. De horizontale lijn. Maar er is ook een diepere dimensie. Die kom je op wikipedia niet tegen. Ook niet in het spreekwoord. Daarvoor moet je in de kerk komen! Dit kleine verhaaltje is voluit evangelie, goed nieuws! Het onthult ons namelijk ook iets over wie Jezus is. Dat is de Christologische interpretatie. Zeg maar: de verticale lijn. Die twee lijnen vormen samen een kruis. Ze horen bij elkaar en mogen nooit van elkaar gescheiden worden.

Dat geldt trouwens voor veel gelijkenissen die Jezus vertelt. Daarin wordt heel vaak een appél op mensen gedaan. Zoals ook hier. Tegelijk is er ook altijd de vraag: wat zegt dit over God of over Jezus? Wat is hierin de genade.

We starten met de eerste lijn in het verhaal.

3. De gelijkenis – liefde tot de naaste

Iedereen kon zich bij het verhaal van Jezus iets voorstellen. De weg van Jeruzalem naar Jericho had veel bochten en kronkels. Hij liep midden door woestijnachtig gebied. Een plek waar mensen die kwaad willen, zich makkelijk kunnen verbergen. Een eenzame reiziger was een makkelijk doelwit. Zo ook hier. De Joodse man wordt onderweg overvallen en halfdood achtergelaten. Er is op dat moment niemand die het ziet of wat kan doen. Maar gelukkig komt er een priester aan. Hij heeft zijn dienst aan God in het heiligdom erop zitten en is op de terugweg naar huis. Hij ziet het slachtoffer liggen, maar gaat aan de overkant voorbij, zegt de tekst. Met andere woorden: Hij loopt er met een grote boog omheen. Een gemiste kans.

Gelukkig komt er een Leviet, een tempeldienaar. Hij zal toch zeker wel naar de man omzien. Maar ook van hem lezen we, dat hij het slachtoffer wel ziet, maar aan de overkant van de weg voorbijgaat. Ook hij loopt er met een grote boog omheen. Een gemiste kans.

Waarom gaan ze niet het slachtoffer toe om hem te helpen. Zijn ze bang dat de rovers nog in de buurt zijn? Durven ze de nood van de ander niet echt toe te laten in hun leven? Dat is waar het vaak misgaat. Omdat we met de nood van de ander ten diepste geen raad weten, blijven we vaak liever op afstand. Dat kan. Wilden ze op een afstand blijven om te voorkomen dat ze onrein zouden worden? Dat was namelijk het geval wanneer ze lichaam van een dode zouden aanraken. Maar dat laatste is niet het geval. Ze worden niet door reinheidsoverwegingen gedreven. Ze zijn niet op weg naar de tempel in Jeruzalem, maar komen daar juist vandaan. Ze hebben hun taak al vervuld. Uitleggers wijzen erop dat de Joodseplicht om een gewonde te helpen of om een menselijk lichaam te begraven ook voor een priester zwaarder woog dan alle andere geboden. Dat kan dus ook niet het geval zijn.

Het schokkende is dus, dat de priester en de leviet beiden in de dienst van God staan, maar verzuimen te doen wat God van hen vraagt: omzien naar de mens in nood. Mensen die ervan weten, die met de dienst van God vertrouwd zijn, de woorden van God kennen, lopen met een boog om de mens in nood heen.

Als een spiegel. De gelijkenis vormt dus op het horizontale vlak een spiegel. Jezus is bezorgd dat mensen die ervan weten, niet doen wat ze zouden moeten doen. Er is een mens in nood: een eenzaam familielid, een buurvrouw, een broeder of zuster uit de gemeente die ziek is, een vluchteling in de stad, een vriendin met huwelijksproblemen, een neefje dat is blijven zitten en ruzie met zijn ouders heeft, een collega die worstelt met depressiviteit. Je hoort ervan. Je wordt ermee geconfronteerd. God legt de nood op je hart, maar wat doe je ermee?

Er zijn natuurlijk allerlei redenen om niets te doen: de persoon staat ver van je af, staat anders in het leven, heeft een andere geloofsovertuiging, komt uit een ander sociaal niveau, je hebt het druk, je hebt andere verplichtingen. Er zijn van die stemmetjes in je hoofd: je kan toch niet het leed van de hele wereld op je schouders nemen? Heeft die ander het er ook niet een beetje naar gemaakt? Is de ellende niet zijn eigen schuld? Had hij of zij geen andere keuzes moeten maken? Jij bent toch niet degene die dit moet oplossen? Het is dweilen met de kraan open. Kortom: redenen genoeg om voorbij te gaan.

Maar als God dit nu van je vraagt? U bent een priester of een leviet, iemand die kennis heeft van het evangelie, en er is iemand die hulp nodig heeft? Wat doe je? Er is geen plan B.

Weet u nog, wat Jakobus zei? In hoofdstuk 2 schrijft hij: ‘Wat voor nut heeft het, mijn broeders, als iemand zegt dat hij geloof heeft, en hij heeft geen werken? Kan dat geloof hem zalig maken? Als er nu een broeder of zuster zonder kleding zou zijn en gebrek zou hebben aan dagelijks voedsel, en iemand van u zou tegen hen zeggen: Ga heen in vrede, word warm en word verzadigd, en u zou hun niet geven wat het lichaam nodig heeft, wat voor nut heeft dat dan? Zo is ook het geloof als het geen werken heeft, in zichzelf dood’ (vers 14-17).

Dat is de spiegel die Jezus ons met dit korte verhaaltje voorhoudt. Het is heel bekend, maar ook confronterend. Bedoeld om tot inkeer te komen. Waar staan wij als het gaat om onze naaste? Maar het wordt nog spannender.

De derde persoon. Want wie is de derde persoon die langskomt? Voor de Joden van toen, zou nu natuurlijk een gewone Israëliet langskomen. Als de godsdienstige mensen het niet doen, dan toch zeker een volksgenoot. Maar nee, er komt een Samaritaan. Dat moet voor de Joden, en zeker voor de wetgeleerde waarmee Jezus in gesprek was, schokkend geweest zijn. Samaritanen waren afvallige Joden. Ze waren gemengde huwelijken aangegaan met niet Joodse mensen. Ze hadden een eigen heiligdom op de berg Gerizim. Ze hadden een eigen versie van de Tora. Samaritanen en Joden zijn water en vuur.

Joden konden bij hun morgengebed bidden:’ Heer, geef me een goede dag. Geef mij heden mijn dagelijkse brood. Bescherm me deze dag, Here. Ik bid u dat er geen Samaritanen zullen zijn in de opstanding op de jongste dag’.

Er komt een Samaritaan voorbij. En wat staat van hem? Vers 33: ‘hij kwam in zijn buurt, en toen hij hem zag, werd hij met innerlijke ontferming bewogen’. Een Samaritaan doet wat de priester en de leviet hadden moeten doen. Dat is schokkend. Iedereen zeker, maar een Samaritaan, nee die niet. Ik weet niet hoe wij dat schokkende zouden kunnen ervaren. Er is iemand in nood bij je in de buurt, en wie helpt. Dat luidruchtige gezin wat nergens aan doet, de man die vol met tatoeages zit, iemand die vluchteling is, een moslim, nou ja vul maar in.

De naaste. De gelijkenis van Jezus zet dus alles op scherp. Want de wetgeleerde had aan Jezus gevraagd: wie is mijn naaste? Maar Jezus draait de vraag radicaal om: voor wie ben jij een naaste geweest? Wie van deze drie heeft zich als een naaste gedragen voor de mens in nood? De wetgeleerde kan het woord Samaritaan niet over zijn lippen krijgen en hij antwoordt: degene die hem barmhartigheid heeft bewezen. Precies, zegt Jezus, ga heen en wees een naaste.

Achter de vraag van de wetgeleerde zit een dieper probleem. Een vraag eigenlijk: wie horen er bij het volk van God? Voor wie is de genade van God bestemd? Het OT is daar duidelijk over. God is met Israël begonnen, maar heeft ook altijd buitenstaanders op het oog gehad. Abraham is geroepen om voor alle geslachten van de aardboden tot zegen zijn. De Psalmen zingen over de heidenen die tot geloof komen. Over Rahab de hoer. Ruth de Moabitische. De Filistijn, de Tyriër en de Moren, zingt Psalm 81. Het heil van God is voor de hele volkeren wereld bedoeld. Via Israël breidt het zich uit.

Zo zien we aan het begin van het hoofdstuk dat Jezus zijn discipelen erop uitzendt om het goede nieuws van het koninkrijk bekend te maken. Ze moeten van stad tot stad, van dorp tot dorp, van huis tot huis gaan. Niemand uitgezonderd. Ze roepen de mensen op om zich te bekeren, om met zonde en kwaad te breken en zich aan de Koning van dat koninkrijk gewonnen te geven. Want in Hem ziet God naar mensen om. Zonder onderscheid van geslacht, geaardheid, ras, afkomst, sociale status. Ja zelfs voor Samaritanen is Jezus gekomen.

In de gelijkenis neemt Jezus een Samaritaan als voorbeeld. Hiermee plaatst Hij zich lijnrecht tegen over de wetgeleerde. Hij is gekomen om Jezus te verzoeken, om Hem op overtreding van de Wet te betrappen. Voor hem kan God alleen eenGod van Joden zijn en de naasten zijn vooral Joodse naasten. Dat is de lijn waarin deze wetgeleerde staat. Maar de God van Israël is een genadige God die ook zondaars, hoeren en tollenaars, ja zelfs Samaritanen op het oog heeft. Scherper kan Jezus Hem niet terecht wijzen. Wij mensen hebben altijd weer de neiging om grenzen te trekken, mensen in hokjes te delen, te bepalen wie er wel of wie er niet bijhoort. Regels, tradities, vooroordelen staan zo gemakkelijk echte ontferming in weg. Ons past verootmoediging. Nu komen we bij de tweede lijn van de gelijkenis, de christologische.

4. De gelijkenis – liefde van Christus

Wat maakt nu dat deze Samaritaan anders reageert dan de priester of de leviet? Dat lezen we in vers 33. Er staat ‘hij kwam in zijn buurt’. De Samaritaan laat de nood van de ander binnenkomen. En dan gebeurt het. Er staat: ‘hij werd met innerlijke ontferming bewogen’. Letterlijk: hij werd geraakt tot in het diepst van zijn ingewanden. Weet u, het Griekse woord dat hier gebruikt wordt, wordt in de Bijbel alleen voor God en voor de Heere Jezus gebruikt. Met andere woorden: Jezus neemt hier de gestalte van de barmhartige Samaritaan aan. Hij is die Samaritaan in eigen persoon. Iemand die door de mensen, door het Joodse volk, is afgeschreven. Hij had geen gedaante noch heerlijkheid, zegt de profeet. Kan uit Nazareth iets goeds komen, zeiden de mensen. In de persoon van de Samaritaan belichaamt Jezus de ontferming van God.

De wereld waarin Hij binnentreedt is vol kwetsbare, gebroken en zieke mensen. Mensen die getekend zijn door de zonde, door kwaad, door gebrokenheid. Mensen die lijden als gevolg van hun eigen keuzes. Mensen die lijden door wat hen is aangedaan. Jezus is gekomen om wonden te verbinden. Hij heelt gebroken van harte en Hij verbindt ze in hunne smarte, zegt Psalm 147. Jezus heelt de wonden, geneest de pijn. Hij tilt mensen liefdevol op en zet ze op hun benen. En als ze niet kunnen lopen dan draagt Hij hen. Hij brengt ze in de herberg van Gods vaderhuis. Hij vergeeft hun zonden en betaalt hun schuld. In een woord: Jezus is met innerlijke ontferming over mensen bewogen.

In deze gelijkenis vertelt Jezus wie Hij zelf is. Hij is van God uit gekomen. Om de kloof tussen God en mens te slechten. Verzoening te doen. Onverwacht en onverdiend ontfermt Hij zich. En het kost Hem alles. Zijn eigen leven aan het kruis. Als de goede Samaritaan is Hij bereid de hoogste prijs te betalen. De gelijkenis is vol van evangelie.

Met de gelijkenis kijkt Jezus ons aan. En weet u wat Hij zegt tegen mij, tegen jou en tegen u. Die gewonde persoon aan de kant van de weg, dat bent u, dat ben jij, dat ben ik. Wij zijn allemaal mensen, die op de genade van God zijn aangewezen. Wij zijn mensen voor wie Christus gekomen is. Ook wij zijn aangewezen op de ontferming van de barmhartige Samaritaan.

Jezus kijkt ons aan vanmorgen: je bent een geliefde dochter of zoon van de Vader. Ik ben gekomen om je thuis te brengen.

Hij is ook bewogen over ons. Wie je ook bent. Wat je verleden ook is of je levensgang. Als er iemand raadt weet met je wat je hebt gedaan of je overkomen is. Met je zonden of wonden, dan is Hij het wel. Hij is de barmhartige Samaritaan bij uitstek.

Geloof je dat? Willen we daar aan? Dat als Jezus niet naar ons had omgezien, wij verloren zouden zijn. Wij geen hoop en geen toekomst zouden hebben. Maar het wonder is, dat Hij onze weg gekruist heeft. Hij zocht ons op. Hij nam ons bestaan voor zijn rekening. Alles is volbracht. Gelooft u dat? Geloof jij dat?

5. Ga heen en doe even zo

De egoïstische vraag van de wetgeleerde: ‘wie is mijn naaste?’ draait Jezus genadig om, ‘voor wie ben jij een naaste?’. Zie je die Samaritaan. Laat die gezindheid in je zijn, die ook in Hem was. Ga heen en doe evenzo.

God zal mensen op je weg brengen. Kwetsbare mensen. Gebroken mensen. Mensen die Jezus niet kennen. Ga en wees met ontferming bewogen. Luister. Help. Deel het evangelie. Ledig de nood. Dat is wat God van ons vraagt.

Jezus’ ontferming is de sleutel tot de toepassing van deze gelijkenis. Alleen wie zelf leeft van de ontferming van Christus, zal zich over anderen kunnen ontfermen. Alleen wie weet wat genade is, zal genadig naar anderen kunnen zien.

Het hoofdstuk eindigt met de geschiedenis van Marta en Maria. Wat is goede deel dat Maria heeft gekozen, aan de voeten van Jezus zitten, en naar Zijn stem luisteren. Aan de voeten van de barmhartige Samaritaan zitten we elke zondag, we zijn voorwerp van de genade van God.

Dat is wat God vraagt: dat we ons laten dienen door de Heiland, om zo dienstbaar te zijn. Als Christus voor de ander. Amen.