De schat in aarden kruiken: over kracht en kwetsbaarheid

Schriftlezing: 2 Korinthe 4:5-13 - 2 Korinthe 5:1-6
Datum: 29 september 2019
Download PDF


1. Soms gaat het even niet

Nog niet zo lang gelezen las ik een artikel dat als titel had ‘Jong en uitgeblust: kinderen met burnout’. Het ging over het schokkende feit dat jongeren en studenten in toenemende mate met het verschijnsel van burn-out te maken krijgen. Ze lopen tegen hun grenzen op en moeten een pas op de plaats maken.

Ongetwijfeld zijn daar oorzaken voor te noemen. We leven nu eenmaal in een prestatiemaatschappij. Ouders verwachten veel van hun kinderen. Scholen stellen hoge eisen, geven al vroeg huiswerk mee en testen veel en vaak. En als de schoolbel geklonken heeft, is het nog niet afgelopen. Dan is er de voetbaltraining, de saxofoonles of een cursus Chinees. En als je thuis bent, dan is daar de verleiding van Netflix of zijn er de sociale media die ook je aandacht vragen. Er is zoveel te doen en bij te houden. Een avondje op pad met je vrienden. Een paar uur per week een bijbaantje. Kortom: het leven is snel, intensief en kent weinig momenten van rust. Soms trek je het even niet.

En dan natuurlijk ook nog eens de invloed van sociale media. De foto’s die je post moeten er natuurlijk wel goed uit zien. En iedereen toont zijn beste en mooiste kant. Zo wordt de druk opgevoerd en ligt de lat hoog. En als je dan niet mee kunt komen, voel je dat extra sterk. Dan wordt je op jezelf teruggeworpen, voel je je eenzaam en ga je aan jezelf twijfelen.

Nog niet zo lang geleden plaatste een meisje op twitter een tweet dat ze zich eenzaam voelde. Een stroom van reacties kwam los. Goed dat je dit zegt. Van soort gelijke situaties. Je moet de moed maar hebben om jezelf kwetsbaar op te stellen. Zo gemakkelijk kunnen mensen je pijn doen of over je gevoelens heenlopen.

Maar laten we eerlijk zijn: we zijn toch ook kwetsbaar? En: lang niet alles in ons leven gaat goed of voorspoedig? Soms lukt het niet om alle ballen in de lucht te houden? En waarom zou dat eigenlijk moeten. Doen we niet te veel? Zijn we niet te druk? Waarom durven we niet kwetsbaar te zijn naar de mensen om ons heen? Wat zou God van ons vragen?

2. Een schat in een aarden kruik

Vanavond horen we de apostel Paulus met klem zeggen: het is niet erg om kwetsbaar te zijn. Waarom niet? Omdat er dan in ons leven meer ruimte is voor de kracht van God! Als we kwetsbaar zijn dan is duidelijk dat we in alles op de kracht van God aangewezen zijn!

En dat is niet zomaar een statement dat Paulus maakt. Vanachter zijn bureau. Nee, het is een persoonlijke worsteling van hem geweest. Hij was door God geroepen om het evangelie te verkondigen. Vers 5: wij prediken niet onszelf maar Jezus Christus als Heer. Dat was de passie van de apostel. God had de liefde van Jezus in zijn hart uitgestort. Die liefde wilde hij met alle mensen delen. Dat was zijn roeping. God had het licht laten schijnen in zijn hart. Alles was anders geworden. Hij had een geweldige schat van God ontvangen. Maar de weg die hij moest gaan was geen gemakkelijke weg. Achter Jezus aangaan betekende niet dat alles op rolletjes zou lopen en vanzelf zou gaan. Integendeel, de apostel kreeg met gebrokenheid en kwetsbaarheid te maken. Als was hij een aarden kruik.

Paulus gebruikt hier een woord dat ook in de archeologie gebruikt wordt: een ostracon. Een potscherf. Archeologen vinden in de grond soms resten van vorige beschavingen. Stukjes van pijpen of kruiken. Soms zie je ze in een museum staan: een kruik die weer netjes in elkaar gelijmd is. Ik ben een aarden kruik, zegt Paulus. Zo’n in elkaar gelijmde vaas. Dat is het beeld dat Paulus gebruikt in 4:7 ‘Wij hebben een schat in aarden kruiken’.

Een schat en een kruik. Over die beide dingen wil ik iets zeggen.

3. Een kruik van aardewerk

Als je het bijbelgedeelte goed leest, wordt wel duidelijk waar Paulus aan denkt bij een kruik. Hij heeft het over zijn eigen lichaam. Dat woord komt een paar keer terug. Maar ook uit andere beelden blijkt dit: onze uiterlijke mens vergaat zegt hij in 4:16. Aan het begin van hoofdstuk 5 noemt hij het beeld van een tent. Ons aardse huis, deze tent – en dan wijst hij naar zichzelf – wordt afgebroken. Paulus ondergaat de kwetsbaarheid in zijn eigen lichaam. Dat lichaam heeft het zwaar te verduren. Hoe dat kwam?

Paulus heeft veel tegenstanders gehad. Leraars die zijn woorden verdraaiden en veel kritiek hadden op de boodschap die hij bracht. Paulus heeft voortdurend gedoe gehad. Soms fysieke bedreiging, hij is mishandeld, gestenigd, gevangen gezet. Dan weer moest hij vluchten voor zijn leven. Vaak onderweg, slecht slapen, veel zorgen, onregelmatig eten. Het heeft allemaal zijn tol geeist. Zijn lichaam heeft er zwaar onder geleden. Misschien gingen de jaren ook tellen. De ouderdom komt immers met gebreken.

Ik ben zo’n aarden vat. Een vaas waar allerlei scheuren en barsten inzitten. Paulus wist dat dit erbij zou horen. God had hem hiervoor gewaarschuwd.‘Je bent voor Mij een uitverkoren vat’, had God tegen hem gezegd. Maar Hij had er ook iets aan toe gevoegd. Ik zal je tonen hoeveel je moet lijden ter wille van mijn naam. Hij heeft het geweten. We worden verdrukt. Vervolgd. Neergeworpen. Wij dragen het sterven van Jezus in ons lichaam. Littekens. Verwondingen heeft Hij opgelopen. De ontberingen en zorgen hebben diepe lijnen gegroefd in zijn gezicht.

Het kan zijn dat je dit allemaal niet zo herkend. Je bent nog jong, je leven is nog relatief rustig. Maar kijk dan eens om je heen. Veel jongeren en ouderen herkennen dit wel. Jonge levens die soms al zo getekend zijn door verlies, ziekte en gebrokenheid. Lege plekken in het gezin. Een ziekte waar men maar geen grip op krijgt. Zorgen die er zijn. Wij zijn aarden kruiken. Dat herkennen we toch wel, als we eerlijk zijn. Of niet?

Weet u wat soms zo moeilijk is. Dat heel veel mensen om ons heen geen zorgen lijken te hebben. De foto’s op sociale media laten altijd blauwe lucht en zonneschijn zien. De selfie’s zijn prachtig. Soms schuurt dat. Klopt dat allemaal wel. Is het geen schijnwereld. De media en reclame laten alleen maar mooie en gezonde mensen zien, in de kracht van hun leven. Daar kunnen wij vaak niet aan tippen en we voelen ons losers.

Deze worsteling had Paulus trouwens ook. Wist u dat? In deze brief is Paulus in een hevig gevecht gewikkeld. Er waren andere predikers in Korinthe gekomen. Zij waren gestempeld door de idealen van de Griekse cultuur. De Grieken vonden de welsprekendheid en de goede presentatie erg belangrijk. Men vereerde het lichaam en de schoonheid. En alles wat zwak of gebrekkig was, werd door hen veracht. Dat was voor de slaven.

Je ziet dat ook in het museum als daar vazen en kruiken zin uit de Griekse oudheid. Op die vazen en vaten staan afbeeldingen van sterke en atletische gestalten. Naakt. Mooi om te zien. Met een krans op hun hoofd. Het ideaal waar Grieken naar streefden was: autarkeia. Zelfgenoegzaamheid. Het vermogen om moeilijke situaties te overwinnen. Om altijd staande te blijven.Autarkeia. Je moet jezelf zien te redden.

Nee, zegt Paulus, dat karakteriseert het evangelie niet. Het is niet autarkeiamaar asteneia. Zwakheid. Een term die hij veel in zijn brieven gebruikt. Dat is wat een volgeling van Jezus kenmerkt. Gods kracht wordt in zwakheid volbracht. Wij zijn aarden vaten.

Dat is geen vrolijke boodschap. We worden niet graag aan onze kwetsbaarheid herinnerd. Wie kwetsbaar is heeft het vaak moeilijk vandaag. In onze samenleving hebben mensen afhankelijk worden het vaak zwaar. Er zijn steeds minder voorzieningen. Mensen die niet mee kunnen komen raken makkelijk op een zijspoor. Zwakheid is geen positieve eigenschap. Terwijl wij mensen allemaal kwetsbare wezens zijn. Er hoeft maar iets te gebeuren, of we liggen ziek op bed.

4. De prachtige schat

Maar … God heeft ons niet aan ons lot overgelaten. U niet, Jou niet. Mij niet. God heeft ons een schat gegeven. Iets waardoor wij het vol kunnen houden. Dat noemt Paulus een schat. Wij hebben een schat ontvangen waardoor onze kwetsbaarheid in een ander licht is komen te staan. We zijn breekbaar, maar toch bruikbaar.

Wat is die schat? Sommige uitlegger zeggen: dat is Christus. De Here Jezus. Hij is de parel van grote waarde. De zoon van God die mens werd om ons van onze zonden te bevrijden. Hij is het allermooiste wat je je maar kunt voorstellen. Inderdaad, Paulus is helemaal vol van de Here Jezus. Maar de schat hier is niet de Here Jezus. Anderen zeggen dat is de vergeving die God aan mensen schenkt. Ook daar is Paulus vol van. Maar de schat is niet de vergeving. Anderen: de schat is het evangelie dat wij hebben ontvangen. Een schat, maar niet de schat die Paulus hier bedoeld.

Paulus denkt aan iemand anders. Die schat dat is de Heilige Geest. Het geschenk dat de Here Jezus beloofd had aan zijn volgelingen. Het is beter dat ik heenga, anders kan de Geest niet komen. Hij zal tot in eeuwigheid bij jullie zijn. In dat broze bestaan is de heilige Geest gekomen. Dat is de schat waar Paulus aan denkt. Wij hebben deze schat. Hebben dat is in bezit hebben, dat is ontvangen. In 4:13’ wij hebben dezelfde Geest van het geloof’. Nog duidelijker in 5🕔’ God heeft ons hiervoor (dat is: voor dit leven in kwetsbaarheid), gereedgemaakt (letterlijk: toegerust), door ons de Geest als onderpand te geven.

God helpt ons om in alle moeilijkheden en gebrokenheid het vol te houden, de moed niet te verliezen (daarom verliezen wij de moed niet, tot 3 keer toe), door ons de Heilige Geest te geven. De Geest van God die in ons komt wonen. Dat is gebeurd toen wij tot geloof kwamen in de Here Jezus. De Geest van God woont sindsdien in ons. In ons gebroken en zondige bestaan woont de Geest van God. Wij hebben deze schat in aarden kruiken.

God heeft zijn Geest aan ons geschonken juist om ons toe te rusten, om ons te helpen, het in die gebrokenheid vol te kunnen houden. Die schat dragen wij elke dag met ons mee. Het lied Ik zal er Zijn van Sela zegt: ‘waar ik ben, bent U, wat een kostbaar geheim’. Deze schat is de reden, zegt Paulus, dat ik het vol houd, dat ik de moed niet verlies. En dat is voor ons niet anders. Wat de situatie van je leven ook is, wat je ook mee gemaakt hebt. Zelfs als alles voor de wind gaat. Dan nog.

Want wat doet de Geest? Als ik afdwaal, dan wijst Hij me de weg terug. Als ik zondig, dan wijst Hij mij op de Heere Jezus. Als ik twijfel, wijst Hij mij op de beloften van God. Als ik de moed verlies, zegt Hij: God maakt af wat Hij is begonnen. Als ik niet weet wat ik moet bidden, bidt Hij voor mij met onuitsprekelijke verzuchtingen. Als ik leeg ben en niets van God ervaar, laat Hij mij de liefde van De Here Jezus zien. Als ik zeg, ik kan het niet, dan zegt Hij: laat Mij het doen. Als ik om woorden verlegen ben, legt Hij mij de woorden in de mond. Als ik onreine gedachten heb, wijst Hij mij op het bloed van de Here Jezus dat reinigt. Als ik zwak ben en struikel, richt Hij mij op. Als ik mij alleen voel, herinnert Hij mij aan de belofte van de Here Jezus: Zie ik ben met je, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld. Als ik sterven ga, dan laat Hij het licht vallen op het offer van de Here Jezus, dat genoeg tot volkomen verzoening van mijn zonden, dan maakt Hij mij klaar om God te ontmoeten.

Gemeente, wij dragen in ons broze lichaam, een geweldige schat. Een schat die de Here Jezus voor ons verworven heeft. Een schat die onze ogen opent voor de grootste schat in de wereld: Jezus zelf.

En het is de Geest, deze schat, die ons in alle zwakheid draagt en ons leven tot zegen laat zijn.

5. Slot

Ik las eens het verhaal van een waterdrager uit India. Hij had een juk met twee grote emmers. Eén van de emmers had een barst, de andere emmer was helemaal gaaf. Elke dag moest hij voor zijn meester water halen uit de rivier. Terwijl die goede emmer aan het einde van de rit nog helemaal vol was, was de gebarsten emmer nog maar half vol. Dat ging zo twee volle jaren verder. De waterdrager leverde altijd maar anderhalve emmer water af in het huis van zijn meester. De goede emmer was bijzonder trots op zijn prestaties. Maar de gebarsten emmer voelde zich ellendig omdat hij de helft van zijn water kwijtraakte.

Op een dag begon de gebarsten emmer te klagen. Ik schaam me zo. Ik wil me bij jou verontschuldigen. Waarom?, vroeg de waterdrager. Waarom ben je beschaamd? Omdat ik de laatste twee jaar slechts een halve portie water heb afgeleverd. Door die barst in mijn zijwand verlies ik voortdurend water onderweg naar het huis van je meester. Door mijn falen moet jij zo hard werken en krijg je niet het volle loon voor je inspanning, antwoordde de emmer.

De waterdrager kreeg medelijden met de oude gebarsten emmer. Hij wilde hem troosten en zei: Als we dadelijk teruggaan naar het huis van mijn meester moet je eens goed op die prachtige bloemen letten aan de kant van de weg.

En inderdaad: toen ze de heuvel opliepen zag de gebarsten emmer de prachtige wilde bloemen langs de kant van de weg en dat bracht hem toch een beetje troost. En de waterdrager keek naar de emmer en zei: Heb je dan niet gezien dat er alleen maar bloemen groeien langs jouw kant van de weg en niet langs de kant van de andere emmer? Ik wist dat je een beetje lekte en ik heb daarom bloemzaadjes geplant aan jouw kant van de weg. En elke keer dat we terugkwamen van de rivier heb jij ze water gegeven. En zo heb ik twee jaar lang prachtige bloemen kunnen plukken om de tafel van mijn meester mee te versieren.

Wij hebben de schat van Gods Geest in aarden vaten. Vaten die lekken. Emmers die gebarsten zijn. Maar door de scheuren en breuklijnen van ons leven heen, laat God zijn zegen zichtbaar worden, door ons heen. Wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de kracht en de eer van God zij en niet van ons!

Snap je nu waarom Paulus kan zeggen: ‘Wij verliezen de moed niet’?

Amen.