De terugkeer

Schriftlezing: Handelingen 11:19-25; 13:1-4; 14:21-28
Datum: 19 januari 2020
Download PDF


1. Terugkomen is moeilijker

‘Terugkomen is moeilijker dan weggaan’. Deze woorden sprak ds. Wijgert Teeuwissen bij zijn 25-jarig ambtsjubileum. Hij was op dat moment nog directeur van de GZB. Hij zei het zo: ‘Ik zeg het ook altijd tegen onze zendingswerkers die nu op het zendingsveld zijn: Terugkomen is moeilijker dan weggaan. De zendingswerker op het zendingsveld en kerk en samenleving in Nederland maken een eigen ontwikkeling door. Je ervaart dat het daar niet alles is, maar hier ook niet. Je wordt burger van twee werelden.’

In gelijke bewoordingen sprak ook de inmiddels overleden Ds. C. van den Berg, toen hij met zijn gezin na elf jaar terugkeerde uit Zuidoost-Azië: ‘Inmiddels weet ik dat terugkomen moeilijker is dan weggaan.’

Natuurlijk geldt dat niet alleen voor mensen die de zending in zijn gegaan. Je hoort het ook van militairen die op missie zijn geweest. En je kunt het zelf ook ervaren als je een bepaalde tijd voor stage of voor je werk in het buitenland moest zijn. Of als je als jongere een keer meegegaan bent met een reis van Worldservants, dan is het vaak ook lastig om te delen wat het echt met je gedaan heeft.

Terugkeren is lastiger dan weggaan. Zeker als je langer weg bent. Je maakt dingen mee. Je groeit. Je verandert. En ook bij het thuisfront gaat het leven gewoon door. Mooie en verdrietige dingen wisselen elkaar af. Soms ben je er bij, soms niet. Als je dan terugkomt, lijkt het alsof je op de oude voet verder gaat. Je voegt je weer in de oude patronen. Je pakt de draad van vriendschappen weer op. Je bent weer op verjaardagen. Zondags in de kerk. Maar ondertussen is er van alles gebeurd. Je hebt veel meegemaakt. Tuurlijk, je laat foto’s zien. Je vertelt er een paar keer over. Totdat mensen tegen je zeggen: ‘Ja, nu moet je maar eens ophouden om over Chili of Colombia te vertellen. Je bent nu weer hier.’

Het lastige is dat veel ook niet te delen valt. Wat je met de mensen over-zee hebt meemaakt. Wat je van hen geleerd hebt. Hoe het geloof en de kerk daar functioneren. Hoe je God ervaren hebt op die plek. Je kunt lang niet alles in een keer kwijt. Dat heeft tijd nodig. Als je weg gaat is je rugzak nog leeg, als je terugkomt, zit er vaak heel veel in.

2. Een bijbels principe

Toch is het goed dat wij hier zijn vanmorgen. Om uit de eerste hand te horen wat God zoal gedaan heeft in Colombia. We hebben Cora en Antonie op 13 april 2014 mogen uitzenden en vanmorgen zijn ze weer in ons midden. Straks zullen we ons iets vertellen over de periode dat ze in Colombia waren. Niet omdat zij zonodig in de belangstelling moeten staan. Liever niet, als ik hen een beetje ken. Maar vooral, omdat dit een bijbels principe is.

In de Psalmen zie je dat vaak. Dat de dichter mensen aanspoort om te getuigen. ‘Hoort, wat mij God deed ondervinden, Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest’ (Psalm 66). En we zien het vanmorgen ook in Hand. 14. Paulus keert na zijn zendingsreis terug naar Antiochië, de gemeente die hem uitgezonden had, en doet daar verslag van de reis. Het is dus blijkbaar belangrijk, dat de gemeente op de hoogte wordt gebracht – in de vorm van een verslag, of door een getuigenis – van wat God heeft gedaan en nog steeds doet in levens van mensen. Dat kan van wat Hij hier in Woerden doet of zoals vanmorgen uit Colombia.

Vanmorgen staan we stil bij de eerste zendingsreis van Paulus en Barnabas. Ze werden vanuit Antiochië uitgezonden en ze keren na hun reis weer naar deze plaats terug. Ik wil vanuit het Woord over die beweging iets vertellen. In vier punten: 1. de roeping. 2. de uitzending. 3. de reis. 4. de terugkeer.

Maar voordat we bij de zepunten komen eerst iets over de stad Antiochië.

3. De opwekking

In de Syrische stad Antiochië is een opwekking gaande. Van alle kanten komen mensen tot geloof in de Here Jezus. Joden herkennen in Hem de Messias. Mensen uit de Griekse bevolking aanvaarden Hem als hun Kurios. En dat gebeurt allemaal in Antiochië, de derde stad in het Romeinse rijk. Er ontstaat een bloeiende gemeente, van Joden, Grieken en vluchtelingen. De hand van de Heere rust op de gemeente. Gods Geest is krachtig aan het werk. Hij leidt de gemeente. Hij coacht de leiders ervan. Dat was nodig. Want er lagen geen programma’s klaar. Er was geen uitgewerkt beleidsplan. Er waren geen gebaande paden. Nee, al gaandeweg moesten ze ontdekken wat de bedoeling van God was. Met vallen en opstaan. In afhankelijkheid van Gods Geest. Één ding was voor hen duidelijk: heel de stad moet de liefde van Christus kennen. Zo strekken ze zich uit naar mensen die Jezus niet kennen, in dienende liefde, met woord en daad. God zegent deze houding, want in Antiochië worden de gelovigen voor het eerst christenen genoemd. Mensen van buiten herkennen in de gelovigen de persoon van de Heere Jezus. In hun woorden en daden.

4. Zending: de roeping (1)

Het is in deze gemeente dat er een beweging ontstaat de wij kennen als ‘zending’. Barnabas en Paulus worden door de gemeente uitgezonden om het evangelie te verkondigen en overal in het Romeinse rijk nieuwe gemeentes te stichten. Een bijzondere stap. Dat was nog niet eerder gebeurd. Hier in Antiochië worden vanuit de gemeente mensen uitgezonden. De leiders waren bezig met hun werk. Er werd onderwijs gegeven. Er werden mensen gedoopt. Men vergaderde en maakte plannen voor de toekomst. Maar dan, in een samenkomst gebeurt het. Terwijl zij de Heere dienden en vasten, begint God tot hen te spreken (vers 2).

Dat ze samenkwamen om de Heere te dienen en het feit dat ze vasten, duidt erop dat ze op zoek waren naar de leiding van God. Misschien voorvoelden ze dat er keuzes gemaakt moesten worden. De gemeente was immers gegroeid. Veel te groot geworden misschien. Misschien was er in hun hart een groeiend besef dat ze dit goede nieuws niet voor zichzelf moesten houden. En ze besluiten een periode van gebed en vasten te houden. Als uitdrukking van hun overgave en verlangen om richting van God te ontvangen. Dan gaat God spreken.

Het woord van God bereikte hen niet terwijl ze samen televisie zaten te kijken. God sprak niet toen ze de aandelenkoersen in de gaten hielden. De geschiedenis werd niet veranderd terwijl ze lagen te slapen. Maar het gebeurt allemaal toen ze de Heere zochten in gebed. Toen sprak de Heilige Geest: ‘Zonder Barnabas en Paulus af voor het werk waartoe Ik ze geroepen heb’. Paulus was geroepen om een apostel voor de heidenen te zijn. Dat was het woord dat God via Ananias tot hem in Damascus had gesproken. Hier wordt dat bevestigd.

Wat zien we hier gebeuren? Alles begint bij roeping. De Geest zegt: nu is het moment dat je mag gaan doen waartoe Ik je geroepen hebt. Die roeping was voorbereid. God had al eerder woorden gesproken. Zo is het bij Cora en Antonie gegaan. God legde een verlangen in hun hart. Er kwam onrust. Is dit nu wat God van ons vraagt, ons huidige werk, of verlangt Hij van ons wat anders? Er volgen gesprekken. Het verlangen wordt door anderen herkend en bevestigd. Al gaande weg wordt een weg zichtbaar die je mag gaan.

Zo gaat het bij zending. Zo is het als je geroepen wordt voor het ambt of voor een andere taak in de kerk of in Gods koninkrijk. God is de eerste. Hij roept. Via de prediking. Een bijbelwoord. Via een verlangen in het hart. De vraag is wat je er mee doet. Je kunt het wegdrukken. Je kunt het negeren. Maar de bedoeling is dat je gehoorzaamt. Dat de roeping van God beantwoord wordt. Als Hij je roept, mag je één ding heel zeker weten. Hij die roept is getrouw. Hij zal het doen! Dan het tweede punt.

5. De uitzending of bevestiging (2)

Als dan de roeping beantwoord wordt, komt het tot de uitzending (voor de zending) of bevestiging (ambt of taak). Dat is er de uitzendingsdienst of bevestigingsdienst. Zo ook in Handelingen 13. De gemeente vast en bidt en Paulus en Barnabas worden de handen opgelegd en uitgezonden. De gemeente beseft dat dit een bijzonder moment is. Voor het eerst in de geschiedenis na Pinksteren worden mensen apart gezet en uitgezonden voor een speciale taak in Gods Koninkrijk. De hele gemeente is erbij betrokken. Ze vasten en ze bidden. Het vasten en bidden duidt erop dat ze allemaal beseffen, dat ze zonder de zegen van God niet kunnen. Het is een moment van diepe overgave. Ze laten mensen los in het besef dat God zelf ervoor zorg moet dragen. Dat alleen Hij de missie of bediening kan doen slagen.

Dat besef is zo belangrijk. Je ziet dat steeds weer in deze hoofdstukken. Als Paulus en Barnabas in de gemeente ambtsdragers bevestigen, dan dragen zij hen op aan de Heere, zo lezen we in 14:23. En ook als Paulus en Barnabas terugkomen naar hun moedergemeente, dan lezen we in 14:26: ‘Ze voeren terug naar Antiochië, waar zij aan de genade van God opgedragen waren’. Aan de genade van God opgedragen. Dat is ten diepste wat je doet, als je een taak op je neemt, in de kerk of daarbuiten, of als je voor de zending weggaat, je draagt mensen op aan de genade van God. Dat besef moet de rode draad zijn in alles wat we doen: dat we in alles afhankelijk zijn van de genade van God. Zijn gunst. Zijn vergeving. Zijn wijsheid. Zijn kracht. Als mensen uitgezonden worden, als zij aan een nieuwe taak of ambt beginnen, maar ook als je trouwt, dan dragen wij mensen op aan de genade van God. Heere neemt u de regie, wij zijn van u afhankelijk. U bent de Heer van de kerk. Wij verwachten het van U. Laat uw genade hen leiden en dragen. De genade van God is niet alleen een leerstuk om te geloven, maar het is een heilsfeit waarop je kunt leunen.

Zo is het bij Cora en Antonie gegaan, zo is het ook bij ons gegaan, toen wij een taak op ons namen in de kerk of daarbuiten, misschien stonden we er zelfs niets eens zo bij stil, maar de genade van God die moest het doen. Zijn genade is genoeg. Mensen opdragen aan de genade van God, dan kan de uitzending of bediening niet meer stuk.

Nou zo eenvoudig is het niet.

6. De reis of de taak (3)

Als Paulus en Barnabas dan op pad gaan gebeuren er inderdaad hele mooie dingen. Op Cyprus komt de proconsul Sergius Paulus tot geloof. In een stad die ook Antiochië heet krijgen zij op de sabbat alle ruimte om over Jezus te spreken. In Ikonium hebben ze zoveel vrijmoedigheid dat Joden en Grieken tot geloof komen. Er gebeuren tekenen en wonderen. In Lystra wordt een verlamde genezen. In Derbe komen er veel leerlingen. God zegent de bediening. Maar op elke plaats is er ook gedoe. In Antiochië worden zij door vooraanstaande burgers, aangespoord door de Joden, uit de stad verdreven. In Ikonium moeten zij vluchten. In Lystra wordt Paulus zelfs gestenigd.

Er is zegen, maar er is ook tegenwerking en gedoe. Gehoor geven aan roeping is verre van gemakkelijk. Ik herinner nog even aan wat ik in de uitzendingsdienst zei, over de tien geboden van een zendingsarbeider. Waarvan de eerste luidt: ‘Denk niet dat er een welkomstcomité op je staat te wachten, je bent bent gezonden niet uitgenodigd’. Het begin van julliewas niet gemakkelijk. Pastor German die twee dingen zei: het programma gaat niet lukken en ik word niet je vriend. Zoiets. Nou, daar sta je dan: geroepen om te dienen. Je bent op pad gegaan. Er was aarzeling in het begin, soms ook verrassende openheid. Gelukkig is het programma ‘somos diaconos’ goed in de kerk geland en tot zegen van veel mensen.

Maar het was ook weerbarstig soms. Er waren momenten dat je elkaar aankeek en dacht ‘laat maar’. Als er andere belangen een rol spelen. Ik bedoel: makkelijk is het niet om gehoor geven aan een roeping van God. Maar daar moeten we niet vreemd van opkijken: ons is geen kalme reis beloofd. Meer nog: we treden in het spoor van een Heiland, die geen plek had waar hij zijn hoofd kon neerleggen, en die in alles wat Hij deed om mensen te redden, van alle kanten bekritiseerd is. Goddank gooide Hij de handdoek niet in de ring. Anders hadden wij hier niet gezeten en was er geen verlossing voor ons gekomen. We gaan in Zijn voetspoor om te dienen. Om de minste te zijn. Je moet jezelf soms wegcijferen. Op de tweede plaats stellen. Lastig. Soms zie je als buitenstaander veel helderder wat er moet gebeuren. Maar juist dan – in die weg – leer je je Heiland nog dieper kennen. Die ook die weg van zelfopoffering is gegaan, van de minste zijn. Dienen. Incasseren. In de zending, maar ook als wij God hier dienen, in de gemeente of daarbuiten. Makkelijk is het nooit. Voorspoed is ons nooit voorzegd. De moeilijkheden die je soms ervaart, brengen je als het goed is steeds weer terug bij de Heere Jezus. In Zijn handen ligt ons leven. Van zijn genade zijn we afhankelijk telkens weer. En zo in die weg, ga je Hem steeds beter kennen. Je krijgt Hem ook meer lief. Je krijgt Hem ook steeds meer nodig. Je gaat steeds meer op Hem lijken.

Soms krijg je een tweede kans. De gelegenheid om iets recht te zetten. Wat ik mooi vind aan de reis van Paulus en Barnabas. Het is een rondreis. Op de terugweg hebben ze alle plaatsen opnieuw bezocht. Ondanks de afwijzing en het gedoe, is God doorgegaan met zijn werk. Er ontstaan gemeentes. Er worden ambtsdragers bevestigd. Programma’s zijngaan draaien. Ze kunnen het Woord kwijt. Ja, God laat niet los wat Zijn hand begon. Dan het laatste:

7. de terugkeer en het verslag (4)

Aan het einde van de reis keren Paulus en Barnabas weer terug naar Antiochië, naar de plek waar het allemaal begonnen was. Terug naar de plek waar ze aan de genade van God opgedragen waren. Wat lezen we: ze doen verslag van hun reis. Wat opvalt, is dat de nadruk niet ligt op wat zij allemaal gedaan hebben, ook niet op alle moeilijkheden en problemen die er waren, maar de focus ligt op wat God heeft gedaan ‘met hen’, dat is: door hen heen.

Het positieve, het werk van God staat op de voorgrond. Hun getuigenis is theocentrisch. God krijgt de eer. De cirkel is rond. Het begon bij God en het eindigt bij God. Ze hebben veel gedaan. Mooie dingen meegemaakt, maar als ze terugkijken, was één rode draad: de genade van God was aan het werk. Daarover moet het gaan. Moeilijkheden en zorgen zijn er altijd. Offers moeten worden gebracht. Maar wat het geloof opbouwt, zijn uiteindelijk de dingen die God heeft gedaan. Hoe meer wij aan Hem zijn toegewijd, hoe meer Hij door ons heeft kunnen doen. Aan Hem de eer. Het is door Hem, voor Hem en tot Hem.

Dit gedeelte helpt ons om met de ogen van het geloof te kijken naar ons ambt of de taak waartoe God ons geroepen heeft, in of buiten de kerk, en als we goed kijken, in al het menselijke … dan zien we hopelijk de genade van God. Soms moet je er goed voor kijken. Maar al pratend en luisterend wordt dat hopelijk ook steeds weer zichtbaar.

We ontvangen Cora en Antonie in ons midden. We danken God en zijn benieuwd naar wat God door hen heeft gedaan. Nu zijn zij het; straks misschien iemand van ons. Want de roeping om te getuigen blijft. Om steeds weer in de kring van de gemeente te horen over de genade van Christus die arm werd om ons rijk in God te maken. Hem zij de lof en eer. Amen!