De zuchtende schepping (over duurzaamheid en rentmeesterschap)!

Schriftlezing: Genesis 1:26-28; 2:15 - Romeinen 8:18-26
Datum: 24 mei 2020
Download PDF


1. Wat corona ook laat zien

Ik las dat in de stad Wuhan, waar het allemaal begonnen is met het corona-virus, ze de vogels weer horen fluiten. Jarenlang werden er geen vogels gehoord, vanwege de fabrieken en alle economische activiteiten.

Deze week was voor het eerst in tijden, op meer dan 200 km afstand, de Mout Everest weer te zien. De hoogste berg van de wereld. Doordat alles stilligt in Nepal, is er geen smog meer die het zicht op deze hoogste berg verhindert.

Nu vliegtuigen bijna niet meer vliegen, is de lucht schoner geworden; nu er minder auto’s op de weg rijden, zijn er minder files en is er minder stikstof uitstoot.

Door het coronavirus is in korte tijd op aarde veel veranderd. De gevolgen zijn groot voor de zorg en mensen die ziek worden, voor bedrijven, voor scholen, voor kerken, voor het onderlinge contact tussen mensen. Hoe moeilijk en verdrietig dat allemaal ook is, voor de schepping is het een zegen. De natuur ademt er van op. Doordat veel economische activiteiten stilliggen, komt de aarde eindelijk tot rust.

Als er één ding de laatste tijd wel duidelijk wordt, en steeds meer tot ons doordringt, dan is dat wel dit: zo kunnen we niet langer doorgaan. We plegen roofbouw op Gods schepping. Wie de berichten van de laatste tijd tot zich laat doordringen, wordt er niet vrolijk van: de zeespiegel die alarmerend snel stijgt; diersoorten die verdwijnen; regenwouden die in rap tempo verdwijnen; mineralen die uit de aarde onttrokken worden; de stikstofcrisis; de opwarming van de aarde; de vervuilende industrie; dieren die voor massaconsumptie in dieronvriendelijke omstandigheden gehouden worden; de plastic soep in de Grote Oceaan, waardoor vissen sterven. De ecologische voetafdruk van ons mensen is veel te groot. Zo kan het niet langer. De schepping kraakt in haar voegen. Of om het Bijbelser te zeggen: de schepping zucht.

2. Paulus over de zuchtende schepping

Dat is het beeld dat de apostel Paulus in Romeinen 8 gebruikt. Om precies te zijn in vers 22: want wij weten dat heel de schepping gezamenlijk zucht en gezamenlijk in barensnood verkeert tot nu toe. En omdat in het vers er na Paulus pas over de mens spreekt, weten we dat hij bij de voorgaande verzen over de natuur en de dieren heeft. De natuur en de dieren zuchten, zegt Paulus. Ik vond dat heel opvallend, want de problematiek waar wij nu mee te maken hebben, de uitputting van de aarde en alles daarom omheen, speelde in die tijd natuurlijk helemaal nog niet zo sterk. Er woonden ook veel minder mensen op de aarde. Toch schrijft Paulus dit. Ik denk dat de Heilige Geest de apostel dieper liet kijken naar de schepping, met de ogen van God. Want het probleem van het zuchten van de schepping is niet van vandaag of gisteren. Het is namelijk begonnen met de zondeval in het paradijs. Sinds die tijd zucht de schepping en is zij in barensnood, maar wij leven nu wel in de tijd dat weeën steeds sterker worden. De pijn en het lijden, het zuchten van de schepping worden steeds heviger.

3. De zuchtende schepping en de oude mens

Waar komt dat zuchten vandaan? Wat is het probleem dat de schepping, de natuur en de dieren ondervinden? In vers 20 noemt Paulus, als eerste oorzaak de zinloosheid. Het Griekse woord mataiotēs (vruchteloosheid, nutteloosheid, leegheid). De schepping is vergankelijk. Ze gaat in cirkels rond, zonder dat ze ergens uitkomt. Er is geen doel in de natuur. De schepping beantwoordt niet aan het doel dat God voor ogen had. Om een tuin te zijn, een harmonieus leefmilieu, voor de mens.

In vers 21 voegt de apostel daar nog aan toe: de slavernij van het verderf. Verderf betekent hier: vernieling, verwoesting, uitputting.

Dus: de natuur en de dieren zijn onderhevig aan vergankelijkheid, vernieling en uitputting. Dat is wat Paulus in de Geest ziet. En hoe is dat gekomen? Dat heeft te maken met de mens. De wortels daarvan liggen in de zondeval. Om Paulus goed te kunnen begrijpen, moeten we terug naar het begin.

God had in het begin de schepping aan de mensen toevertrouwd. Datgene wat Hij zo goed had geschapen, had Hij in hun handen gelegd. Met een dubbele opdracht. Een dubbel mandaat.

Gen.1:28 ‘Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, de vogels in de lucht en over al de dieren die op de aarde kruipen’. Een opdracht om de wereld tot ontwikkeling te brengen, om alles wat God daarin gelegd had te gebruiken en te benutten.

Maar Hij had er nog een tweede opdracht aan toegevoegd, in het tweede scheppingsbericht:

Gen. 2:15 ‘De HEERE God nam de mens, en zette hem in den hof van Eden, om die te bewerken en te onderhouden’. Te bewerken en te onderhouden. Ook dat was de opdracht van de mens. Die laatste werkwoorden betekenen in het Hebreeuws letterlijk: om te ‘dienen en te bewaken’. Dat zit iets van zorg in en bescherming.

Het was Gods bedoeling dat die beide opdrachten elkaar in evenwicht hielden. De wereld ontwikkelen én bewaken. Maar toen kwam de zondeval. De opstand tegen God. In plaats van naar God te luisteren, ging de mens zelf bepalen wat goed en kwaad is. In plaats van God te vereren, kwam de mens zelf in het middelpunt te staan. De mens viel voor de verleiding om als God te zijn. En als gevolg hiervan raakte ook de schepping in verval. Niet langer stond de balans centraal van ontwikkelen en bewaren. Maar vanaf dat moment leefde mens los van God en zag hij zichzelf als eigenaar van de schepping, in plaats als rentmeester. Rentmeesters leggen verantwoording af, eigenaren niet. Zo kon de mens doen en laten met de schepping, met de natuur en de dieren, wat hij dacht dat goed was. God had al voorzien wat er zou gebeuren. De aarde zou vervloekt zijn, doorns en distels voortbrengen. Met andere woorden: de aarde zou niet langer meer die goede tuin zijn, die hof van Eden. Maar al gaande weg uitgeput raken, vruchteloos worden, aan verderf en verwoesting onderhevig raken.

Kortom de schepping zou tot slaaf van de mensen worden met alle gevolgen van dien. God stond toe dat deze staat van slavernij voortduurde. Hij gaf aan Israël wetten. Goede wetten over een sabbat. De balans van werken en rust. Een sabbatsjaar, waarin het land braak zou liggen, het personeel weer vrijuit zou gaan. Het jubeljaar, waarin alle schulden vereffend zouden worden. De geboden bedoeld om het leven op aarde na de zondeval dragelijk te maken en de vloek van de zonde te dempen.

Maar veel was tevergeefs. In plaats van rentmeester te zijn onder Gods goede leiding, en zorg te dragen voor de natuur en de dieren, raakte de schepping in verval en verderf onderhevig. De schepping deelde niet langer in de heerlijkheid die ze had in het begin. Nu waren de gevolgen van de vloek in de eerste eeuwen nog niet zo zichtbaar, maar door de eeuwen en tijden heen, met een bevolking die alsmaar groeit, is dat anders geworden. Wij zien nog meer dan Paulus dat de schepping zucht. De zuchtende schepping.

4. De schepping wacht op de nieuwe mens

Paulus voegt aan het beeld van zuchten iets toe. De schepping is ook in verwachting. Hij zegt het zo in vers 19: met reikhalzend verlangen verwacht de schepping het openbaar worden van de kinderen van God. Dat is een bijzondere gedachte. Paulus ziet de schepping als een mens die met reikhalzend verlangen uitziet naar iemand. Zoals een familie staat te wachten op de auto met het bruidspaar, zoals je iemand verwacht die langer tijd weg is geweest en weer thuiskomt. Zo staat heel de schepping, de dieren en de natuur, als het ware op de uitkijk. Wanneer komt hij nauw. Wanneer wordt zij zichtbaar. De schepping wacht op het openbaar worden van de kinderen van God. De natuur wacht op iets wat met de mens gaat gebeuren. God gaat de mens herstellen. Wanneer de mens volledig hersteld is, zal er ook de natuur zich gaan herstellen.

Heel Paulus theologie wordt gedragen door deze gedachte. Dat deze in zonde gevallen wereld vernieuwd zal worden. Dat is het Evangelie! God schrijft deze wereld niet af, maar zal haar vernieuwen. Er komt namelijk een dag dat allen die de Heere Jezus toebehoren, zullen opstaan in een nieuw leven. Zij die in Hem geloven zullen vernieuwd worden.

[Het voert nu te ver, maar we moeten het nog wel een keer over de eindtijd hebben. Ook wat het laatste bijbelboek hierover zegt. Want dat spreekt over een duizendjarig rijk, voorafgaand aan de dag van het oordeel en voorafgaande aan de nieuwe hemel en aarde, die daarna komt. Het zou kunnen dat Romeinen 8 hiermee verbonden kan worden; maar dat voert voor nu te ver]

In ieder geval, als de Heere Jezus terugkomt naar deze aarde, zullen de gelovigen (die leven en zij die opstaan) Hem volgen. Ze zijn dan vernieuwd. De zonde is uit hun leven verwijderd. Gods Geest zal hen helemaal beheersen. En God stelt hen aan als nieuwe rentmeesters over deze aarde.

Over dat moment spraken de profeten al. Dat de schepping zal beantwoorden aan het doel dat God met haar voorhad. In de profetieën van het OT vinden we toespelingen op een herstel van de harmonie in de schepping (vgl. Jes.11:6-10; 55:13; 65:25). De wolf en de lam die samen zullen leven. Een kind en een slang. De steppe die zal bloeien als een roos. De aarde die haar vruchten voortbrengt.

De schepping smacht naar dat moment, dat ze niet langer uitgebuit zal worden. Maar tot haar bestemming komt, als Gods vernieuwde kinderen, als goede en zorgzame rentmeesters voor haar gaan zorgen. Dat is er een einde aan de vruchteloosheid en het verderf. Een einde komt er aan de uitbuiting en vernieuwing. De natuur en de dieren zien daar naar uit. Met reikhalzend verlangen.

In het zuchten van de schepping al die eeuwen door klinkt een zachte en stille stem: wanneer Heere God zal er een einde aan de uitbuiting komen, wanneer zullen de kinderen komen die u beloofd hebt? Wanneer maakt u alles nieuw?

We kunnen het ons niet voorstellen, dat dit ooit zal gebeuren. Maar dat is wat Paulus hier schrijft. En hij betrekt het vervolgens ook op de mensen die leven op aarde. Elke gelovige heeft te maken met lijden van zonde, ziekte en dood. We herkennen dat, wij zuchten ook (aan gemis, verdriet, eenzaamheid, een lege plek), in de hoop ook eens verlost te worden van dit broze en zondige bestaan. Maar Paulus noemt niet de mens als eerste, maar de schepping, de natuur en de dieren. Zij hunkeren naar de dag van hun verlossing. Daarop ligt de spits vanavond. Hoe weten we dat God alles gaat vernieuwen? Omdat de gelovigen de Geest hebben ontvangen. Vers 11: de Geest die in ons woont, zal onze sterfelijke lichamen levend maken. Dat is de garantie, het onderpand, van wat gaat komen. God doet wat Hij heeft beloofd.

5. De betekenis voor ons

Wat moeten we hier nu mee? Wat betekent heel deze uiteenzetting van Paulus nu voor ons en onze omgang met de schepping? Een vraag die door alles wat nu gebeurt, extra op ons afkomt. Laat ik drie dingen noemen

a. Bekering is nodig

Een ding is wel duidelijk het zuchten van de schepping, de vruchteloosheid en het verderf waaraan zij lijdt, is gevolg van ons handelen. Meer dan toen weten wij dat het zuchten van de schepping door onze zondige levensstijl komt. Dat het coronavirus zo snel om zich heen kon grijpen heeft alles met onze manier van leven te maken. De schepping zucht omdat in ons leven alles staat in het kader van meer, en groter, en sneller, en efficiënter, en verder.

De vervuiling van de lucht, de zee en de bodem; de opwarming van het klimaat; het plunderen van de ecosystemen; de roofbouw van de schepping; de massaconsumptie van dieren. Het mag ons niet koud laten als christenen. Tenminste als wij bijbelgetrouwe christenen willen zijn. In de Bijbel immers staat dat God de wereld gemaakt heeft. Hoe kun je, als iemand die van God houdt en in hem gelooft, niet houden van datgene wat Hij gemaakt heeft. De uitbuiting van de aarde is een belediging voor God.

Goede uitzonderingen en initiatieven daar gelaten, over het algemeen hebben Christenen hebben niet voorop gelopen in de zorg voor het milieu en de schepping. Toch is het belangrijk. Dat vraagt dus van ons bekering, om hele concrete keuzes, om een levensstijl van soberheid, om duurzame keuzes waardoor de schepping niet nog meer in problemen wordt gebracht.

[Zoom: verder over doorpraten; goed om elkaar aan te sporen op een leven dat past bij wie God is en wie Christus toebehoort; moeilijk vanaf de kansel iets zeggen. Maar wel belangrijk om samen over door te praten]

b. We moeten onze allergie opzij zetten

In de kerk roept de aandacht voor een sobere levensstijl ook soms ook allergie op. We moeten al zoveel. Nu ook dit nog. We vinden het niet fijn als anderen zich bemoeien met de keuzes die wij maken. Bovendien, in de samenleving wordt daar volop over na gedacht, moeten we dat in de kerk ook nog eens doen? Groen denken, nou ja vooruit, maar groen geloven, duurzaam geloven, dat gaat mij te ver. In de kerk gaat het om geloof en bekering, om wedergeboorte, om redding van onze ziel. Zeker dat laatste is onmisbaar. We kunnen duurzaam leven, maar als we niet in Christus geloven, gaan we verloren en zullen we nooit delen in schepping die wordt vernieuwd. Zeker, het appel tot geloof moet altijd klinken. Ik hoop en bidt dat u en jij Christus liefheeft en dat Hij uw en jouw Verlosser is.

Maar als u daar amen op zegt, dan kan het thema van vanavond u niet onbewogen laten. Dan moeten we onze allergie, als die er is, laten varen. Waarom? Omdat de schepping het werk is van God en als we Hem liefhebben, dan zullen we ook dat wat Hij gemaakt heeft, als een kostbare schat behandelen.

c. Omdat God meezucht

Wat mij bijzonder raakte, is dat niet alleen de schepping en de mensen zuchten, maar ook de Geest van God. Hij zucht met onuitsprekelijke verzuchtingen, vers 26. God is door Zijn Geest in deze schepping aanwezig. God zelf is betrokken op deze wereld. Hij deelt in het lijden en zucht mee. Vanwege het verderf en de vruchteloosheid. Vanwege het slechte beheer van ons mensen. God lijdt dus mee onder de last van het kwaad en misere. Dat moet ons ter harte gaan. Dat God lijdt onder wat ik doe of nalaat, dat zou mijn hart moeten breken. Als God mij het heil van de Heere Jezus heeft willen schenken, dan kan ik wat de schepping betreft niet achterover leunen. Nee, dan draag ik uit dankbaarheid mijn steentje bij, ook al is het maar klein. Een druppel op een gloeiende plaat.

De Geest zucht mee. Hij komt ons in onze zwakheden te hulp. Hij pleit voor ons. Hij trekt aan ons. Hij vernieuwt ons hart. Hij zet ons in beweging. Om ook voor mens en dier het goede te zoeken. We zijn het aan onze Redder verplicht. Het evangelie is dat ons leven in de handen van Christus is. Niets zal ons kunnen scheiden van Zijn liefde. Maar daarom zetten wij ons in voor de schepping omdat God de Schepper ons lief is, omdat wij geroepen zijn om zuinig te zijn op wat Hij ons heeft toevertrouwd.

Laten we horen wat de Geest hierin tot ons zegt.

Amen.