God in ons: wat een wonder!

Schriftlezing: Exodus 25:1-9, 21-22 - 1 Korinthe 2:12-14; 3:16-17; 6:19-20
Datum: 14 juni 2020
Download PDF


1. De aanwezigheid van God betwist

Soms kun je met enige jaloersheid kijken naar de tijd van de Bijbel. God was zo dichtbij. In de wolkkolom overdag, in de vuurkolom ‘s nachts. In de tabernakel en later in de tempel. Hij was aanwezig te midden van Zijn volk. Er was een plek waar je Hem kon ontmoeten. Psalm 84. Jawel, met beperkingen, dat zeker, via offers en via priesters. Maar toch, Hij was er. Dat maakte Israël tot een bijzonder volk. De Schepper, de heilige God, woonde bij Zijn volk. Hij had Zijn tent bij hen opgeslagen.

Mensen zeggen weleens: ik wou dat ik in de tijd van de Bijbel geleefd had. Dan zou het veel gemakkelijker zijn om te geloven. Misschien heb je het ook wel eens gedacht. God was aanwezig. De Heere Jezus kon je ontmoeten. Geloven in de tijd van Bijbel is gewoon veel concreter.

Dat is precies het punt waar mensen vandaag op vastlopen. De aanwezigheid van God. Die wordt betwist. Is God er wel? Waarom grijpt Hij niet in? Waarom laat Hij in deze wereld zoveel dingen op zijn beloop. Vragen die we wel herkennen. Soms ook vanuit een zekere teleurstelling. Zwijgt God soms? Heeft Hij Zich verborgen? Als Hij er is, waarom laat Hij zo weinig van zich zien? Jongeren bidden of ze God mogen ervaren. En als ze niet merken dat hun gebed verhoord wordt, dan haken ze soms af. Ik vind geloven moeilijk, dominee, zei een ouder iemand tegen mee. Ik merk zo weinig van Gods aanwezigheid. De worsteling met het ervaren van Gods aanwezigheid is dus niet aan leeftijd gebonden. Maar God woont nu toch door de Heilige Geest onder ons? Ja, maar dat voelt voor mensen vaak toch nog niet concreet. Het lijkt alsof Hij veel verder weg is dan in de tijd van de Bijbel.

De aanwezigheid van God. Daar gaat het vanmorgen over. Hoe is God aanwezig? Op welke manier kunnen wij met Hem omgaan? Hoe kunnen wij Hem ervaren? We beginnen bij Exodus 25.

2. God is aanwezig

God geeft een opdracht aan de Israëlieten. ‘Jullie moeten voor Mij een heiligdom maken, zodat Ik in jullie midden kan wonen’. Achter die opdracht zit een heel duidelijke boodschap. God zoekt contact. Hij wil betrokken zijn op het leven van mensen. Hij wil in hun midden zijn. Dat typeert de Heere God. In Genesis lezen we dat God in de hof van Eden met Adam en Eva wandelt in de avondkoelte.

Vanaf het eerste begin zoekt God omgang met mensen. De opdracht om de tabernakel te bouwen en later de tempel is daar het gevolg van. God en mens horen bij elkaar. En de bedoeling van de tent was ontmoeting. Zodat Ik in hun midden kan wonen. Wonen, dat is niet tijdelijk, maar blijvend. Dat is wat God wil.

In de hoofdstukken die volgen ontvangt Mozes uitgebreide instructies voor de bouw van de tent. Alle details worden door God onthuld. Niet wordt aan het toeval overgelaten. Waarom niet? Nou, dat had te maken met wie God is. Hij was niet alleen de Verlosser van Israël, uit de slavernij van Egypte, maar Hij is de Schepper. De God die dit universum gemaakt had. Dit universum met al zijn miljarden sterren en sterrenstelsels. En deze machtige God kiest ervoor om te midden van Israël Zijn tent op te slaan.

Dat is natuurlijk ongehoord. De grote en heilige God komt wonen te midden van zondige mensen. Maar dat was wat God wilde. Er was wel een voorwaarde: er moesten offers gebracht worden. Elke dag, in de morgen en in de avond. Een lam moest worden geofferd. Het vuur mocht op het altaar niet doven. Er moesten offers gebracht worden en bloed op het verzoendeksel gesprenkeld worden.

Een lam. Bloed. Een offer. Allemaal uitdrukking dat het eigenlijk niet kan. Dat een volmaakt en heilige God woont te midden van mensen, die leven buiten het paradijs. Zondige mensen. Dat is als water en vuur.

Ik weet, dat hele idee van offers en bloed staat ver van ons af. Roept ook afschuw op. Kan dat niet op een andere manier. Dierenwelzijn. Waarom is dat nodig? Maar die offers drukten iets uit van de ernst van de zonde. De tragiek van het paradijs. Onze rebellie en opstand tegen God. Zelf de regie willen houden. De offers laten zien dat het niet botert tussen God en mens. Dat de zonde in de weg staat. Maar ondanks dat zoekt God contact en wil Hij bij mensen wonen. Wil Hij een God van mensen zijn. Door het offer kon het toch. Wat een wonder.

Hoe konden de Israëlieten weten dat God in de tent aanwezig was? Ik stel me voor dat iemand midden in de nacht wakker werd, midden in een angstdroom, dingen waren niet goed gegaan in zijn leven. Zou God dan er vandoor gaan. Hij lag te woelen in bed. Kon niet slapen. Hij besloot maar naar buiten te gaan. En toen hij buiten was, zag hij daar bij de tabernakel een lamp branden. En toen wist hij het weer. God is er. Nog steeds. Morgen mag ik weer opnieuw beginnen.

Dat was ook een opdracht van God, dat er elke nacht een lamp moest branden. Een ner tamid. Een altijd durend licht. Een lamp die altijd brandt. Als je in een Joodse synagoge komt, kun je ze zien hangen. Van de kleine lampjes, die dag en nacht branden. Een herinnering aan de belofte van God. De lamp brandt. Ik zal er zijn.

En er was nog iets met de aanwezigheid van God. In Exodus 20:24 zegt God: ‘op elke plaats waar Ik mijn Naam zal laten gedenken, zal Ik naar u toe komen en u zegenen’. En in 29:42 voegt God daar aan toe, als u komt bij de ingang van de tent, voor Mijn aangezicht, zal Ik u daar ontmoeten om daar met u te spreken. Ontmoeting, zegen, spreken. Dat is waar Gods hart naar uitgaat. Dat maakte de aanwezigheid van God voor Israël zo bijzonder. Wie is een God als U? Heilig, en toch in ons midden!

3. De aanwezigheid van God bedreigd

Maar de aanwezigheid van God was geen automatisme. Ja natuurlijk is God er. Nee, het kon ook misgaan. Ik noem twee dingen. Het gaat mis

– als mensen de aanwezigheid van God gaan claimen voor hun eigen plannen. Dat gebeurde later met de ark. 1 Samuel 4 en 5. Israël kan het van de Filistijnen niet winnen. Dan besluiten ze de ark mee te nemen. Laat die in ons midden zijn, opdat God ons zal verlossen van de vijanden. Maar het loopt faliekant mis. Je mag God niet voor je karretje spannen, zodat Hij gaat doen wat je verlangt. Nee, andersom: Heere, wat wilt u dat ik doe. En niet: Heere, zegen wat ik graag wil doen.

– als mensen denken dat God altijd aan hun kant staat en dat het niet uitmaakt hoe ze leven. In Jeremia 7 gebeurt dat. De mensen zeggen: dit is de tempel van God, ons kan niets overkomen. Maar ondertussen wordt er gelogen, gestolen, gaan mensen vreemd en achter andere goden aan, wordt er onschuldig bloed vergoten. Terwijl er offers worden gebracht en mensen het huis van God blijven opzoeken. Dan horen we God zeggen, met verdriet en boosheid in zijn stem: ‘vroeg en laat heb ik tot u gesproken maar hebt u niet geluisterd; heb ik tot u geroepen (zelfs door de megafoon van het lijden), maar hebt u niet geantwoord.’

Dan gaat het mis. Dan gaat God zijgen. Hij kan zelfs Zijn heerlijke aanwezigheid terugtrekken. Dat is gebeurd. De wolk die tabernakel en de tempel vervulde. Zijn sjechina. Die heeft de tempel verlaten, zo vertelt Ezechiël later. God ging weg. De stem van God zweeg. Er waren geen profeten meer. Het is de donkere tijd tussen OT en NT. God kan dus ook bedroefd worden, door ongeloof, door ongehoorzaamheid. Zo is het helaas gegaan. De Heere was er, maar Hij is ook zo vaak genegeerd. De meest tragische persoon van het OT – zei iemand eens – is niet Job maar God. De geschiedenis van God met zijn volk, is een geschiedenis met heel veel dieptepunten, van niet luisteren, eigen wegen gaan, van afgoden en ongeloof.

4. En toch zoekt God gemeenschap!

En God? Hij zegt: Ik zal in hun midden wonen. Let op: Ik zal! Dat hoort zo bij God. Heel de geschiedenis van Israël staat in het teken van het komen van God. Ten laatste zond Hij Zijn Zoon. Johannes schrijft daar indrukwekkend over. Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar God zet door. Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Getabernakeld zegt Johannes. De wolk van Gods aanwezigheid overschaduwde Maria en zij werd zwanger. De belofte van Exodus 25:8 ‘Ik zal in hun midden wonen’ is in Jezus vervuld. In Hem woonde de volheid van God lichamelijk. We hebben zijn heerlijkheid gezien. Vol van genade en waarheid. In Jezus komt God opnieuw naar zijn volk toe. Jezus die ons de Vader doet kennen. Ik en de Vader zijn een. Jezus die ons de liefde van God openbaart. Hij stuit op verzet en ongeloof. Weer hetzelfde liedje. En Hij eindigt aan het kruis. Einde verhaal. Dat zou terecht zijn. Maar nee, God wekt Jezus op uit de dood. Hij aanvaardt de verzoening. En Hij belooft voor de derde keer te komen. Het wordt Pinksteren.

Kerst: God met ons. Goede vrijdag en Pasen: God voor ons. Pinksteren: God in ons. Ik zal in hun midden wonen. Ik zal. De duif van Gods Geest daalt neer en zoekt landingsplekken in de harten van mensen. In de gemeente. Ze wordt een tempel van de Geest. In de gelovigen. Ze worden ook tot tempels van de Geest gemaakt. Nu is het niet langer van buiten af, maar God begint van binnenuit de dingen te veranderen. In het hart. In het denken. Daar waar de beslissingen vallen. Drie keer komt God. Drie keer is scheepsrecht.

5. Wat betekent de komst van de Geest?

Gemeente, ik vond het belangrijk om deze lijnen vanmorgen te trekken. Het is Pinksteren geweest. Gods Geest is uitgestort. Ik zal, zegt God, voor de derde keer, in hun midden wonen. Die belofte geldt voor Israël en voor de volkeren. De duif van de Gods Geest zoekt landingsplekken. Mag ik jou vragen en u? Is de duif van de Geest in uw leven of jouw leven ook geland? Weet u of jij je het eigendom van de Heere Jezus? Daar staat of valt alles mee. Niemand kan zeggen Jezus is Heer dan door de heilige Geest. Het is de Geest die onze ogen opent voor de Heere Jezus. Die de liefde van God uitstort in onze harten. De Geest komt waar mensen buigen voor Jezus, waar ze knielen en zich aan Hem gewonnen geven, Daar landt de duif. Daar maakt God woning. Daar tabernakelt Hij.

Weet u, als ik die belofte van God overdenk, Ik zal in hun midden wonen, dan komen er drie dingen in mijn gedachten.

Gods aanwezigheid door de Geest

a. is een reden tot verwondering

Daar kunnen we ons wel iets bij voorstellen, toch? De Geest is heilig, wij zijn dat niet. Er is van alles in mijn leven nog niet op orde. Er is mijn vlees, mijn zelf, er is strijd. Mijn geloof is maar zo gebrekkig, maar in dit alles, is de Geest gekomen, om mij, om ons te helpen. Ik zal zegt God wonen. Dat is het evangelie.

Ik hoef niet meer te vragen of God bij mij is, want Hij woont in mij. Gekomen om te blijven. Het kan eigenlijk niet. Maar ik mag het geloven. Waar ik ben, bent u, wat een kostbaar geheim.

Weet u, dat Gods Geest in je woont is zaak van geloof. Van vertrouwen. De Geest komt in de weg van het geloof, van bekering, van je gewonnen geven aan de Heere Jezus. Iedereen die oprecht gelooft in Jezus, die Hem als Zijn Zaligmaker of haar Verlosser liefheeft, die kan dat alleen maar doen door de Geest. Het evangelie vertelt, dat als ik geloof, Gods Geest in mij woont. Dat is een heilsfeit. Dat mogen we geloven. Of we het ervaren of niet. De ervaring is er misschien niet altijd. Maar de inwoning van de Geest hangt niet af van of ik het ervaar, maar of ik mijn leven aan Jezus heb gegeven. Dat is het beslissende. Het fundament.

Maar het ervaren kan er wel bij komen. Want als de Geest gaat werken, dan wijst Hij mij op Jezus. Bij Hem moet je zijn! Lees over Hem. Luister naar Hem. Bestudeer zijn karakter. Dat is iets wat wij moeten doen, maar in die weg opent Hij mijn ogen voor de genade en de schoonheid van de Here Jezus. Hij overtuigt mij dat ik ook een kind van God mag zijn. Dat Jezus’ offer genoeg is. En vroeg of laat ben ik het ook te ervaren. De liefde van God laat me immers niet koud. Maar het hangt niet af van ervaren. Het begint bij het heilsfeit. Hij woont in mij. Zo heeft God het belooft.

Niet dat ik het begrijp, maar Hij begrijpt mij wel. Dat is voor mij genoeg.

b. vraagt een toegewijd leven

Ook dat kunnen we ons voorstellen. Als je een hoge gast in huis hebt, doe je best om goed voor hem of haar te zorgen. Er is respect. Je luistert. Bent beleefd. Je zal de persoon niet schofferen of verdriet willen doen.

Al die dingen horen erbij. Juist omdat God in ons wil wonen, vraagt dat ook dat we luisteren. Wat wilt u dat ik doe? We doen de Geest verdriet met onheilig leven. Met onreinheid. Met zonde. Met verkeerde keuzes. Dan kan Hij er het zwijgen toe doen. Dan ervaren we niet veel van Hem. Hij is er, maar dan in de kelder van ons levenshuis.

Als je God dus niet ervaart, dan is het goed om je in ieder geval af te vragen: heb ik echt mijn leven aan Jezus gegeven. Is er die ommekeer geweest, die God van mij vraagt. En: zou het kunnen dat door hoe ik leef, ik de Geest verdriet doe. Als ik niet met Jezus bezig ben, dan doe ik de Geest verdriet; en verdrietige mensen worden stil en trekken zich terug.

Ervaren staat niet op de eerste plaats. Laat dat duidelijk zijn, maar hoort er wel bij. Bespreek het met God en Hij zal je helpen.

c. is een bron van kracht

Zo was het al in het OT. Ik zal in u midden wonen en u zegenen, ik zal u ontmoeten en met u spreken. Die zegen van God was mogelijk door het offer. Ook dat is niet veranderd. Pinksteren kon alleen gevierd worden na Pasen. Gods Geest kon alleen komen nadat de Heere Jezus zijn leven had gegeven. In Zijn offer heeft Hij alle zonden van ons mensen meegenomen in de dood. God heeft zich met ons verzoend, op grond van het offer van Jezus. En door het geloof ontvangen wij de vrucht. Gelooft u dat? En jij? Want voor u is de belofte, en voor uw kinderen, en voor allen die nog veraf zijn. De belofte: U zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt.

Kracht om te gehoorzamen. Om te volharden. Om te blijven geloven. Kracht om te getuigen. Kracht om een nieuwe stap te zetten. Met mijn God spring ik over een muur. Kracht om te bidden, volhardend voor onze jongeren, voor vervolgde christenen. In het vertrouwen dat God door Zijn Geest oneindig meer kan doen dan we bidden of beseffen. Kracht om het vol te houden, als het leven zwaar is, als de eenzaamheid je aanvliegt.

Kracht om het goede voor mensen te zoeken. Om mensen met de ogen van Jezus te zien. Welke kleur ze ook hebben. Ieder mensenkind is geschapen naar het beeld van God. Black lives matters. Omdat voor God all lives matters. Kracht om op te staan voor de waarde van het leven, omdat God de Bron is van het leven. Kracht om trouw te zijn aan de geboden van God.

Dat allemaal, en nog veel meer, door de Geest die Jezus voor ons verworven heeft. God in ons. Ik zal er zijn: wat een wonder! Ik ben er stil van. Amen.