Het refrein van … Advent

Schriftlezing: Psalm 80 - Johannes 10:11-16
Datum: 1 december 2019
Download PDF


1. Het verbond verbroken?

Het is 1943. In een sombere barak in het concentratiekamp Auschwitz wacht een groep gevangen hun afschuwelijke lot af. Mannen van uiteenlopende afkomst en positie. Arbeiders, rabbijnen, artsen, juristen, jongeren en ouderen zitten bij elkaar. Ze worden als beesten behandeld door de bewakers. Allemaal zijn ze bezig te overleven. Maar in die moeilijke situatie is er maar één vraag die ze bezig houdt: heeft God zijn verbond met het Joodse volk verbroken? Het heeft er namelijk alle schijn van. Want waarom laat Hij toe dat ze hier zo verschrikkelijk moeten lijden? Men besluit in de barak een rechtszaak te houden. De vraag die centraal staat is of God schuldig is aan het verbreken van het verbond. Heeft God zijn verbond met het Joodse volk verbroken?

Er hangt een geladen sfeer in de barak. Mensen staan op en protesteren dat ze dit niet mogen doen. Het is Godslasterlijk om de grote en heilige God ter verantwoording te roepen. Maar de rechtszaak komt er toch. En op de vooravond van hun dood gaan ze met elkaar het debat aan. Waarom zitten we hier? Heeft God daar een bedoeling mee? Heeft God een hoger doel met het lijden dat ons treft? Is het een loutering? Maar hoe zit dat dan met het verbond dat Hij ooit met Abraham sloot. Hij had toch beloofd het volk Israël nooit te zullen loslaten. Maar nu lijkt Hij die belofte te hebben verbroken. Heeft God zich tegen ons gekeerd en staat Hij nu aan de kant van de Nazi’s? Verschillende gevangenen staan op en geven hun gezichtspunt. Dan staat een oudere man op: ‘Nee’, zegt hij ‘jullie zitten helemaal fout. Wij hebben gezondigd. Wij zijn de God van verbond ontrouw geweest. Wat ons nu overkomt is gevolg van onze zonden. God straft ons hiervoor.’ Een ander staat op: ‘maar is deze straf dan niet veel te zwaar. Hoe staat dat dan in verhouding met de zonden die wij hebben gedaan. Is het dan rechtvaardig dat God zo ver gaat? Is God dan zijn genade vergeten en wil Hij nooit meer van ontferming weten?’

Zo wordt God voor het gerecht gedaagd. God on trial. Zo heet de film naar aanleiding van dit gebeuren. Eli Wiesel schrijft er ook over. Diep aangrijpend gebeuren. En je voelt met alle vezels van je bestaan: dit mag niet, dit kan niet, wie zijn wij? God is God. Hij is heilig.

2. De bittere klacht van Psalm 80

Gemeente, de spanning van wat daar toen in die barak gebeurde, de worsteling over het lijden en de vragen daar omheen, zit ook in Psalm 80. Het is een Psalm die ons op het puntje van de stoel laat zitten. Want wat klinkt er een diepe klacht in de psalm. Kijk maar naar de verzen 5-7. ‘Heere, hoelang brandt uw toorn tegen het gebed van uw volk.’ Gods toorn lijkt zo hevig, zo vurig, dat de gebeden die het volk opzendt, als droog gras of stro gelijk in het vuur verbranden. De gebeden krijgen de kans niet om tot God op te stijgen. En: het volk eet tranenbrood. Zij hebben hun tranen tot spijze dag en nacht. Zij hebben niets anders te drinken dan tranen. Zo heftig zijn de omstandigheden. U hebt volken tegen ons opgezet en bespotten ons nu. Waar is nu hun God? Was Hij niet machtig? Het lijkt er niet op? De stemmen wrijven de pijn van het lijden nog eens extra in de ziel van het volk.

Wat is er aan de hand? Waarom zit het volk in het donker? De Psalm is vermoedelijk ontstaan na de scheuring van het twaalfstammenrijk in het jaar 922. Israël is toen uiteengevallen, met tien stammen in het Noorden en twee in het Zuiden. Het noordelijke rijk heeft bestaan zo’n tweehonderd jaar bestaan, van 922 – 722. Rond 722 is het door de Assyriërs verwoest en veroverd en een groot deel van het Noordelijke rijk is toen in ballingschap gevoerd. De Griekse vertaling van de Psalm heeft een wat uitgebreider opschrift en verwijst naar de Assyriërs. Dat betekent dus dat de Psalm geschreven is in een tijd van grote nood. Bezettingstijd. We kunnen ons er iets bij voorstellen. De legers zijn het land binnen gevallen. Hebben steden verwoest. Mannen gedood. Vrouwen verkracht. Akkers in brand gestoken. Soldaten lopen door de straten. Het is niet langer meer veilig. Gezinnen worden uit elkaar gerukt. Mensen op transport gezet. Wie zich verzette werd gedood.

Het volk is in grote nood. Wat ga je doen als je in nood bent? Je schreeuwt het uit. Je gaat klagen. Je gaat roepen tot God. Hoelang zal uw toorn nog branden? Waarom staat u dit allemaal toe?

Het is de vraag van alle tijden. De vraag naar het waarom van het lijden. Een vraag die wij allemaal wel eens hebben gesteld. Heere, waarom gebeurt dit nu allemaal? Waarom lopen de dingen in mijn leven zo anders, zo moeilijk, zo bitter? Waarom zie ik alleen wolken en schijnt de zon niet weer even? Waar heb ik dat aan verdiend? En onwillekeurig gaat de herinnering terug naar vroeger. Net als in Psalm 42 die we zongen. Vroeger, ging ik met vreugde naar Gods huis? Vroeger was ik nog onbezorgd? Vroeger had dat verdriet mij nog niet getroffen?

Ook in deze psalm gaat de herinnering terug naar vroeger. God wordt herinnerd aan wat Hij allemaal voor zijn volk heeft gedaan? Dat lezen we in de verzen 9-16. Het beeld van de wijnstok. Elke Jood kende dat beeld. Die wijnstok was Israël. Door God op een bijzondere manier uit Egypte uitgegraven. God had zich over Israël ontfermd. Het uit de slavernij weggehaald. Hij had zijn ontferming getoond en zijn macht naar de Egyptenaren. Dwars door de woestijn heen, had de Here zijn volk naar het beloofde land gebracht. Daar had Hij zijn volk opnieuw gepland. Een wijnstok. Een wijngaard.

Het is een prachtig beeld. God zelf zorgt eigenhandig voor die wijnstok en plant die in de vruchtbare grond van het nieuwe land. En we moeten als vanzelf denken aan de gelijkenis van de Here Jezus: ‘Ik ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman.’ Zo tekent het Oude Testament de Here, als een Landman. Iemand die zijn wijnstok koestert en tot bloei brengt ‘Hij breidde zijn takken uit tot aan de zee, zijn scheuten tot aan de Rivier.’ Zo is het volk onder David en Salomo gegroeid en uitgebreid. Maar aan de bloei is een einde gekomen. En we horen de dichter klagen (vers 13 en 14): ‘Waarom hebt U een bres geslagen in zijn muren, zodat voorbijgangers hem leegplukken, en wilde zwijnen en dieren uit het veld alles opeten en verwoesten?’ En je ziet het voor je: een wijngaard, met daarom heen een beschermende muur. Maar die muur is kapot, afgebroken. En iedereen die wil kan de wijngaard zomaar binnenlopen. En zo gebeurt het ook. Het hek er omheen wordt vernield. De druiven geplukt. De boompjes omvergegooid. De wortels afgeknaagd. Eén grote puinhoop. Nou, dat is Israël. Gods eigen volk. Waaraan Hij zoveel zorg had gegeven. ‘Mijn Vader is de Landman’, zegt Jezus later. Maar de dichter van Psalm 80 zegt: ‘Onze Vader wás de Landman. Wij wáren zijn wijnstok. Maar het is voorbij.’ God heeft ons verlaten. Hij heeft zijn beschermende handen van ons afgetrokken. Een en al ellende.

En midden in die ellende roept de dichter namens het volk tot God. Vers 15: ‘Here, keer toch terug.’ Of in vers 2: ‘U die woont tussen de cherubs, verschijn blinkend’. Dat gaat over de ark van het verbond. Op het verzoendeksel stonden twee cherubs. Dat werd gezien als de troon van God. Als Hij blinkend verschijnt, dan zullen de vijanden achteruit deinzen. Dan zal er verlossing komen. Zo bidt de dichter: ‘Keer toch weder, aanschouw uit de hemel en zie, en sla acht op deze wijnstok.’ Zo fel klinkt in de Psalm de klacht. Zo indringend is het verwijt naar God. U hebt u handen van ons afgetrokken. Maar wij zijn toch uw wijnstok? Wij zijn toch het volk van het verbond?

3. Eén stem ontbreekt …

Ik moet nog even denken aan het gesprek in de barak in Auschwitz. De stem van de oude man. Te midden van al die verwijten die klonken. Heeft God ons verlaten. Heeft Hij Zich tegen ons gekeerd? Heeft het verbond met ons soms verbroken? Is daar die stem: ‘Nee, niet God heeft ons, maar wij hebben Hem verlaten. Wij hebben gezondigd. Wij zijn ontrouw geweest. Wij zijn achter andere goden aangegaan. Wij waren in de ban van voorspoed en geluk. Wij hebben de geboden van God overtreden en de stem van de profeten het zwijgen opgelegd.

Het is de vraag naar zonde en schuld. Niet God. Niet zij. Maar wij. Ik heb gezondigd. Het waren niet de Joden die u kruisigden Here Jezus, maar ik was het. Het is juist deze stem die in de Psalm ontbreekt. De klacht wordt wel gehoord, maar er is weinig besef van schuld.

Eigenlijk is dat iets van alle tijden. Dat wij mensen niet goed raad weten met schuld en zonde. Dat wij mensen zijn die verlossing nodig hebben. Elke dag weer opnieuw. Hoewel romans en boeken vol staan met verwijzingen naar schuld en zonde en met verlangen naar vergeving en een nieuw begin, kost het ons ook zoveel moeite om te beamen, dat wij zonder de genade van God verloren zondaars zijn. Want in de wereld om ons heen en ook in onze wereld gaat het om geluk, om succes, om snelheid, om schoonheid. En woorden als ‘verlorenheid’ en ‘zonde’ passen daar niet zo goed. Het zijn in onze huidige cultuur eigenlijk vloekwoorden. Een bekende theoloog deed in een krant de uitspraak: ‘we mogen tegenwoordig álles zeggen, behalve dat een mens een verloren zondaar is, die alleen gered kan worden door Jezus Christus.’ Dat klinkt veel mensen als een vloek in de oren.

Het is precies deze stem die in de Psalm ontbreekt. Wij hebben gezondigd.

Ja, zegt u misschien, er klinkt in de Psalm toch ook een gebed tot God, doe uw aangezicht lichten, dan zullen wij verlost worden. In dat refrein dat we in de Psalm vinden? Ja, dat klopt. Maar dat refrein heeft een geschiedenis. Dat zal ik even toelichten.

4. Het refrein van Psalm 80

De psalmen die wij in het psalmboek hebben, de 150, zijn verschillende situaties en door verschillende mensen gecomponeerd. Allemaal natuurlijk geïnspireerd door de Heilige Geest. Er zijn in de grote bundel, psalmen van David, psalmen van Asaf, liederen van de Korachieten, de pelgrimsliederen van 120-135, het Halleel, de psalmen 113-118. Al deze psalmen zijn uiteindelijk in ons Psalmboek terecht gekomen. Vermoedelijk in Jeruzalem zijn er godgeleerden geweest die de psalmen hebben verzameld en gebundeld. Zij hebben de psalmen van opschriften voorzien. Ze hebben de psalmen verdeeld over 5 boeken (1-41, 42-72, 73-89, 90-106 en 107-150). Elke boek heeft bepaalde accenten en thema’s (koningschap van God, loprijzingspsalmen, etc.). De boeken worden vaak afgesloten met een lofprijzing. ‘Geloofd zij de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid, laat het volk ‘Amen’ zeggen’. Toevoegen van Halleluja of van een refrein of van Sela.

Nu, sommige uitleggers wijzen erop dat zo’n refrein vermoedelijk ook aan Psalm 80 is toegevoegd. Op het moment dat dit lied in het grote boek psalmboek is opgenomen. Het refrein dat we vinden in de verzen 4, 8 en 20. Daarin horen we drie keer de stem: ‘O God, breng ons terug; doe uw aangezicht lichten, dan zullen wij verlost worden’. Het refrein staat wat verspreid over de psalm. Maar in dit drievoudig refrein krijgt het lied van Asaf een extra dimensie. Er wordt een element toegevoegd. Namelijk dat van menselijke schuld.

Het refrein is met recht een Adventsgebed. Een bede om de komst van God, een komst die licht brengt in de duisternis. Als u goed kijkt, dan ziet u dat het refrein niet drie keer precies hetzelfde luidt. Het eerste refrein begint met: ‘O God, breng ons terug’. Het tweede refrein begint zo: ‘O God van de legermachten, breng ons terug’. En in het derde refrein klinkt het: ‘Heere, God van de legermachten, breng ons terug’. Daar zit dus een opklimming in. Het gebed wordt steeds indringender, steeds luider. De dichter spreekt met steeds meer ontzag de God van Israël aan. Het wordt al zingend steeds duidelijker, dat Israël voor de verlossing helemaal aangewezen is op God.

Het refrein voegt een stem toen die we nog niet eerder hebben gehoord. In het lied van Asaf overheerste de klacht. Maar nu stoot dit gebed tot de kern van de menselijke schuld. Wat wordt er gebeden: ‘Heere, breng ons terug’. Het Hebreeuwse woord shub dat hier staat, is het gangbare woord voor bekering. Letterlijk staat er: ‘bekeer ons’, of beter nog ‘doe ons terugkeren’. Nu wordt aan God niet gevraagd of hij wil terugkeren, maar wordt aan Hem gevraagd of Hij de mens wil doen terugkeren. Terugkeren, hoe zo? Het volk leeft in het land. Is nog niet in ballingschap. Nee, het gaat om terugkeer naar God. Het is het gebed of God de relatie met Hem weer wil herstellen. De relatie die verbroken is, die ernstig verziekt is, doordat het volk zijn eigen gang was gegaan, doordat het de raadgevingen in de wind had geslagen, doordat het op afgoden zijn vertrouwen had gesteld.

Het grote probleem was dus dat Israel niet ‘on speaking terms was’ met God. Het contact was verstoord. En nu bidt het refrein: breng ons terug tot U. Breng ons terug tot uw Vaderhart. En in die terugkeer, zit de belijdenis van zonde en schuld. Bekeer ons, dan zullen wij bekeerd zijn. Wij hebben gedwaald als schapen, maar U bent onze Herder, breng ons terug in de vertrouwelijke omgang met U.

En het refrein bidt ook: doe uw aangezicht lichten. Daar begint het herstel. Als God wat kapot is weer heel maakt. Als Hij ons aankijkt met ogen waarin liefdevol licht straalt. Dat de blik waarmee Hij naar ons kijkt, niet langer toornig is, maar vol genade. De dichter bidt in dit refrein om Gods genade.

Wie een beetje thuis is in de bijbel zal bij het refrein ‘Doe uw aangezicht lichten’ de link leggen met de zegen van Aaron. ‘De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig. De Heere verheffe Zijn aangezicht over u en geven u vrede’. Dat is de kern van het Adventsgebed. Dat God ons terugbrengt naar Hem, naar Zijn Vaderhart, dat Hij naar ons kijkt in gunst. Want ‘dan zullen wij verlost worden’. Verlossing begint daar waar God ons de zonde vergeeft en ons hart in lijn brengt met Zijn hart. Heere, breng ons terug tot U!

5. Gebed voor ons

Laten wij dit gebed meenemen, in deze tijd van Advent. We worden aan alle kanten geconfronteerd met crisis: in de samenleving, in de politiek, in deze wereld, met het milieu; en ook gaat de crisis de kerk niet voorbij: de krimp, de marginalisering, het sluiten van kerken, verdriet over kinderen die andere wegen gaan. En ook wij worstelen met onze afgoden. Met al die dingen naast God of in plaats van God die onze agenda vullen en waarop wij ons vertrouwen stellen.

Het gebed van het refrein is zuiverend. O God, breng ons terug tot U. Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in u. Breng uw kerk terug tot U. Breng uw volk terug tot U. Breng deze wereld en de mensen terug tot u. Doe uw aangezicht lichten over ons. Zie naar ons om in genade.

Waarom zou God dat doen? Waarom zou Hij naar zo’n gebed luisteren?

Het antwoord staat in vers 18: laat uw hand rusten op de man van uw rechterhand, op de Mensenzoon, die u voor uzelf sterk hebt gemaakt. Gaat dat over Israël. Ja zeggen veel uitleggers. Maar wij horen er ook een verwijzing in naar de Messias. Hij is de Zoon van Gods rechterhand. Hij kwam om de zonde te dragen als een Lam. Om Satan te verslaan als de Leeuw van Juda. We mogen hier een verbinding leggen met Christus. Hij is het Licht der wereld. Hij is de Zon der Gerechtigheid, zoals Maleachi noemt. Hij is het Stralend Middelpunt van Gods verlossingswerk. Wanneer God zijn hand legt op de Zoon naar Zijn hart, en dat heeft Hij gedaan in de Here Jezus, wiens komst wij met Advent gedenken, dan zullen wij verlost worden. Zo is het.

Ik begin de preek met God die voor het gerecht gedaagd wordt. De Psalm draait het om. Niet God, maar ik ben schuldig. Maar wie in geloof Jezus ontvangt, wordt teruggebracht naar Gods vaderhart, en zal verlossing ontvangen. En vanuit die verlossing mag je de Heere dienen. Alle dagen van je leven. Wij mogen ons inzetten voor onze naaste en voor de wereld. Totdat Hij komt of je roept. Dan zal de verlossing volkomen zijn! Amen.