Leven uit dankbaarheid!

Schriftlezing: Psalm 116
Datum: 13 oktober 2019
Download PDF


1. Opgelucht ademhalen

Psalm 116 is het danklied van iemand die gered is. Je ziet het zo voor ogen. Kletsnat staat hij aan de kant van het water. Trillend als een rietje. De reddingsdeken nog om hem heen geslagen. Langzaam komt hij weer tot zijn positieven. ‘Wie heeft mij gered’, stamelt hij. Hij was in de zee gaan zwemmen. Maar had de kracht van de stroming onderschat. Hij was steeds verder van de kustlijn verwijderd geraakt. Met alle macht had hij geprobeerd terug naar de kust te zwemmen, maar de stroming was te sterk. Hoe hard hij ook zwom, steeds verder werd hij de zee ingedreven. Toen was hij gaan roepen, schreeuwen uiteindelijk. Gelukkig had iemand op het strand hem gehoord en de reddingsbrigade gebeld. Met hun snelle boot waren ze op hem afgevaren. Een paar sterke armen hadden hem uit het water getrokken. Hij was helemaal op. Door en door verkleumd. Nu hij veilig weer op de kant staat, wil hij zijn redder bedanken. ‘Waar is degene die mij gered heeft?’.

Zoiets moet op de achtergrond van Psalm 116 gespeeld hebben. De dichter is een gelovige Israëliet, die door een diepe crisis is heengegaan. Midden in die crisis heeft hij het uitgeschreeuwd naar God. En God had hem verhoord. En nu, ja nu loopt hij over van dankbaarheid. ‘Wat kan ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden die Hij aan mij bewees?’, horen we hem in vers 12 zeggen. Psalm 116 een danklied van iemand die gered is.

Volgens mij is deze Psalm een van de eerste Psalmen die ik als kind leerde. ‘God heb ik lief, want die getrouwe Heer hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen. Hij neigt zijn oor, ‘k roep tot Hem al mijn dagen. Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.’ Het werd me al vroeg geleerd, dat ik heel veel van God mag houden. Omdat Hij zijn oor neigt. Omdat Hij luistert naar wat ik zeg.

Zo’n psalm gaat met je mee. Je hele leven door. Als je hem zingt, komen al die momenten je weer in herinnering, dat je het moeilijk had, dat je je alleen voelde, dat er een crisis was, dat je vertwijfeld was en je geen raad wist, en dat je vanuit de diepte tot God had geroepen. En je herinnert je de situatie en wijze waarop God je hielp of nabij was. Ik moest denken aan het lied ‘Hij is erbij’ van van Marcel en Lydia Zimmer. Zij verwoorden het zo: ‘Soms brengt God de storm tot stilte, soms leidt Hij ons er doorheen. Soms geneest Hij ons van ziekte, soms laat Hij het lijden toe’. Maar … ‘In de stormen van het leven, zijn we niet alleen. Hoe het ook zij, hoe het ook zij, Hij is erbij, Hij is erbij’ (opwekking 729).

2. De drieslag van de Catechismus: ellende, verlossing en dankbaarheid

Wat we in deze psalm zien, lijkt sterk op de drieslag van de HC: ellende, verlossing en dankbaarheid. U weet misschien nog wel dat de Catechismus begint met de vraag: wat is uw enige troost in leven en in sterven? Dan luidt het antwoord, dat ik niet mijzelf toebehoor, maar het eigendom van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus ben geworden, door het geloof. En dan in vraag twee: wat is nodig om in deze troost te kunnen leven en sterven? Dan luidt het antwoord: dat ik weet hoe groot mijn zonden en ellende zijn, hoe ik hiervan verlost wordt en hoe ik God voor die verlossing dankbaar kan zijn. Hier komt de drieslag ellende, verlossing en dankbaarheid vandaan.

In sommige kerken werd dit tot een schema van de weg die God met mensen gaat. De ellende werd tot een voorwaarde voor de verlossing enzovoort. Maar het werk van God is echter niet zo te schematiseren. Zeker, in het leven van een christen zullen ellende, verlossing en dankbaarheid zeker een rol spelen. Soms ook in die volgorde. Maar het kan evengoed zo zijn dat je overweldigd wordt door de genade en liefde van God, en dat je daardoor ontdekt wordt aan je eigen liefdeloosheid, onmacht en zondigheid. Ds. Niek Tramper vergelijkt in zijn boekje over de Psalmen met een cirkel waarin ellende, verlossing en dankbaarheid elkaar opvolgen, maar de cirkel kan rechtsom of linksom draaien.

Toch is deze volgorde van de Catechismus er niet zomaar. In de begintijd van de reformatie toen dit geschrift werd opgesteld, oriënteerde men zich veel op de Psalmen. En inderdaad in veel psalmen is deze volgorde terug te vinden: de roep uit de diepte, de verlossende hand van God en de dankbaarheid voor de uitredding. Psalm 116 is een van de meest sprekende voorbeelden hiervan. Laten we maar eens goed luisteren naar de boodschap van deze psalm. Ik werk deze uit in drie punten: ellende, verlossing en dankbaarheid.

3. Ellende

Als je de psalm wat op je laat inwerken, dan lijkt het of een ernstige ziekte de dichter heeft getroffen en hij op het randje van de dood is geweest. In vers 3 lezen we over ‘banden van de dood’ en ‘angsten van het graf’. Dat doet vermoeden dat deze persoon van een been in het graf heeft gestaan. Ziekte als voorbode van de dood. Wie zoiets heeft meegemaakt, kan zich wel iets bij deze beelden voorstellen. Maar de psalm gebruikt ook nog andere beelden. Het lijkt wel of er meerdere situaties van ellende denkbaar zijn. In vers 6 zegt hij ‘ik was uitgeteerd’. Letterlijk: ik was helemaal uitgeput. Dan zou je aan iets van een burn-out kunnen denken. Of vers 10: ‘ik ben zeer verdrukt geweest.’ Het Hebreeuwse woord betekent: depressief. Dat kan gevolg zijn van ziekte, maar zeker ook van een depressie, die hem alle hoop doet ontnemen. Zo somber was hij, dat hij het vertrouwen in andere mensen heeft opgezegd. Ik zei in mijn haast ‘alle mensen zijn leugenaars’. Een heftige uitspraak. Zoiets kun je denken of zeggen, als je in onbalans bent, als je niet jezelf bent. In vers 16 zegt hij tegen God: ‘U hebt mijn boeien losgemaakt’. Boeien, banden, dat kan op een verslaving duiden. Een verslaving die hem naar beneden trekt en waaraan hij helemaal ten gronde gaat. Situaties waarin je terecht komt door verkeerde keuzes die je maakt. Door bewuste zonde.

Kortom: de Psalm verwoordt allerlei situaties van ellende. Momenten van lichamelijke ziekte, psychische of geestelijke problemen, gebondenheid. Zaken zaken die het leven van iemand onder grote druk zetten. Dingen die je de moed ontnemen. Die je aan alles doen twijfelen. Een psalm waarin we ons kunnen herkennen. Ik denk dat het volk Israël zich in dit lied herkend heeft. Zo vaak was het op sterven na dood. Zo vaak is het volk verdrukt geweest. Veel ellende.

Maar toch heeft de ellende in dit lied niet het laatste woord. De psalm spreekt ook van verlossing.

4. Verlossing

De dichter heeft Gods ingrijpen in zijn leven duidelijk ervaren. Er is een kéér gekomen. De ellende die hij verwoordt vormt de donkere achtergrond waartegen de redding oplicht. Hoe meer hij zegt over zijn ongeluk, hoe grote rhet wonder van de redding wordt. Wanneer is de ommekeer gekomen? Wanneer kwam de omslag in zijn situatie? De wending kwam toen hij begon te roepen. Vier keer komen we deze term tegen in de psalm (vers 2, 4, 13, 17). Roepen is veelzeggend. Hij zegt niet dat hij bad, maar dat hij riep. Roepen is aanroepen. Dat is de lege hand van de drenkeling uitstrekken naar God toe.

Wij zeggen vaak nood leert bidden. Nu is dat niet altijd zo. Als de nood hoog is, kun je twee dingen doen: naar God toevallen of van God afvallen. Er zijn ook mensen vanwege het lijden dat hen treft, God vaarwel zeggen. Dat natuurlijk spannend. Hoe reageer je op het lijden dat je treft. Soms weet je dat niet van te voren. Hopelijk zijn er mensen om je heen die voor je bidden en je vasthouden.

Nu is het trouwens niet zo, dat de dichter zomaar vol vertwijfeling zijn gebed op God afvuurt. Als een vuurpijl in de donkere nacht. Nee, hij doet iets anders. Kijk even goed mee naar de psalm. Wat lezen we in vers 4: ik riep de naam van de Heere aan. En in vers 13: ik zal de naam van de Heere aanroepen. En in vers 17: ik zal de naam van de Heere aanroepen. Tot drie keer toe zegt hij het zo.

Bidden is de naam van de Heere aanroepen. Wat betekent dat? Wat is die naam van de Heere. Jahwe. Ik zal er zijn. Ik ben er bij. Dat is de naam van die God die een verbond met zijn volk besloten heeft en zich aan hen zo bekend heeft gemaakt, als de ‘Ik ben erbij’. Meer nog dan aan God vragen of Hij de problemen oplost, wat hij zeker ook gedaan heeft, en wat je in het gebed ook altijd doen mag, doet hij een appel op de naam van God. God die beloofd had erbij te zullen zijn. Ik zal je nooit begeven en Ik zal je niet verlaten. En als God erbij is, dat is Hij er ook als die grote en machtige God. Als die God die instaat is de omstandigheden ten goede te keren. Zo heeft Israël God namelijk leren kennen.

Moet u even kijken naar vers 5. Dat staat er een beetje tussen. In vers 4 spreekt de dichter met ik. In vers 6 doet hij dat ook. In vers 5 staat een soort statement. Net trouwens als in vers 15. Het is een soort geloofsuitspraak. Dit is wat de dichter van zijn ouders, van de geloofsgemeenschap van Israël heeft meegekregen. De Heere is genadig en rechtvaardig. Onze God is een ontfermer. Velen voor hem hebben dit ervaren. Hier in dit lied herinnert hij zich die uitspraak. Hij trekt zich er aan op. Onze God is een ontfermer. Zijn machtige naam is ‘Ik zal er zijn’, met mijn heil en met mijn genade.

Wat de dichter precies van God ontvangen heeft weten we niet. Was het genezing, nieuwe kracht, licht in de depressie, bevrijding van verslaving? In ieder geval heeft God zich niet onbetuigd gelaten. Hij spreekt in vers 12 over de weldaden die God hem bewees. Dat zijn de ‘gracious acts’, de genadegaven die hij heeft ontvangen.

In de psalm vinden we een mooi beeld. In vers 13 zegt de dichter: ‘Ik zal de beker van het heil heffen’. Dat is de beker van de dankzegging voor de verlossing, voor de hulp die hij ontvangen heeft.

Later is dit de naam geworden voor één van de bekers aan de Paasmaaltijd. Psalm 116 hoort bij het zogenaamde ‘Hallel’. Dat zijn de psalmen 113-118 die gezongen werden bij het Paasfeest in huis. In totaal waren er vier bekers. Bekers die allemaal hun eigen naam hebben. Want de Heere geeft ook vier beloften (in Exodus 6: 1-7): ik zal jullie uitleiden, Ik zal jullie redden, Ik zal jullie verlossen en Ik zal jullie aannemen als mijn volk. Na de maaltijd wordt de derde beker gedronken, de beker van de ‘verlossing’ of zoals hier staat de beker van het heil. Die wordt gedronken als dankzegging voor de verlossing die God gaf.

Dat doet wel erg denken aan ons avondmaal, vind u niet? In het avondmaal vieren en gedenken we wat Christus voor ons heeft gedaan. De derde beker van de paasmaaltijd heeft de Here Jezus met zijn eigen leven verbonden. Dat is de beker van de verlossing. Wat Hij geeft ons immers verlossing van onze schuld en vergeving van onze zonde. Dankzij Hem kan onze relatie met God hersteld worden. Is er verzoening. Dat vieren wij in het avondmaal.

Vanuit de verzoening als herstel van de relatie komen ook de andere weldaden ons leven binnen. Kracht voor vandaag, blijde hoop voor morgen. Moed voor de nieuwe week. Aan zijn tafel worden onze boeien en banden verbroken. Daar bloeit ons leven open voor Hem die zijn leven aan ons gaf. In de tekenen van brood en wijn verzekert Jezus ons van zijn hartelijke liefde. Een liefde die zo sterk is, dat Paulus kan zeggen dat niets en niemand ons van die liefde kunnen scheiden. Aan tafel verzekert God ons ervan dat zijn Naam waar is, dat Hij bij ons is en ook bij ons zal zijn. De beker van het heil. De beker van Yeshua staat er in het Hebreeuws. Het is in deze psalm een profetische heenwijzing naar de Messias die zou komen en in de Here Jezus gekomen is.

Wij zeggen vanmiddag de Heere hartelijk dank voor zijn heil. In al die verschillende aspecten waarin wij dat ervaren hebben in ons leven. Het avondmaal verzekert ons ervan dat dit heil niet alleen maar iets van het verleden is. In tegendeel, God is niet veranderd. Hij zal Zijn naam telkens weer waar maken in ons leven. En dan als laatste:

5. Dankbaarheid

Als er een ronde draad door de psalm loopt, dan is dat wel de draad van dankbaarheid. Dankbaarheid is het voornaamste kenmerk van een christen. Voor de dichter het zo helder als wat: het gaat er niet alleen om verlost te worden, maar ook om verlost te léven! Hoe kan ik God iets teruggeven voor al zijn goedheid aan mij bewezen.

Gemeente, dat is toch wel een belangrijk punt, vind u niet? De Heere dank bewijzen. Als u of jij nu kijkt naar uw of jouw leven: Waar bent u van verlost? Van welke doodlopen wegen heeft God u teruggeroepen? Van welke zonde bent u door Hem bevrijd? Voor welke dingen zou u de Heere willen bedanken?

We kunnen van de dichter van de Psalm wel een aantal dingen meenemen. Bij alles wat in de psalm genoemd wordt, valt vooral het publieke karakter op. Vers 14: ik betaal mijn geloften in de tegenwoordigheid van al Zijn volk. Vers 18 ook. Twee keer deze belofte. Dankbaarheid heeft naast een persoonlijk ook een publiekelijk karakter. Je kunt God thuis en in de stilte wel danken. Dat moeten we zeker doen. Maar publiekelijk, dan horen veel meer mensen wat God voor u gedaan heeft. Dan zullen meer mensen zich erover verwonderen. Dan zullen meer mensen God ervoor prijzen. Zo wordt de dank aan Hem groter gemaakt. Schroom daarvoor niet. Op uw kring niet, te midden van je vriendengroep. Of als getuigenis in de dienst. We zijn daar terughoudend in. We willen niet dat de mens in het middelpunt staat. Dat is allemaal goed. Maar er is ook een andere kant. Als wij God niet prijzen en vertellen wat Hij voor ons heeft gedaan, wie doet dat dan wel? Hoe ontvangt Hij dan de eer voor zijn genade, vergeving, bevrijding en heil? Is onze Heere het niet waard, dat wij vertellen wie Hij is en wat Hij voor ons heeft gedaan. De dichter spoort ons aan om publiekelijk God de eer te geven.

Hoe krijgt dankbaarheid gestalte. Zullen we tenslotte nog even kijken naar het lied.

Vers 1: Ik heb de Heere lief. Dankbaarheid vertaalt zich in wederliefde.

Vers 2: Ik zal Hem al mijn dagen aanroepen. Uiting van dankbaarheid is dat je gebedsleven geïntensiveerd wordt.

Vers 9: ik zal wandelen voor het aangezicht van de Heere in het land van de levenden. Je ziet dat de dichter bewuster is gaan leven. Dat hij beseft dat hij coram Deo leeft, voor het aangezicht van God. Dat het er om gaat dat wij God behagen met onze levenswandel en in de keuzes die we maken. Wat vindt de Heere fijn, wat verafschuwt Hij?

Vers 14: Hij gaat zijn geloften nakomen. Misschien heeft hij in de nood wel tegen God gezegd: als u me helpt, dan zal ik … meer tijd geven aan u, aan mijn gezin, aan de kerk, dan al ik trouwer zijn in … Als je dat belooft hebt, zult je dat moeten nakomen. Daarom moet je zulke geloften nooit alleen op je kamer doen, maar altijd in aanwezigheid van anderen, zodat ze je er aan kunnen herinneren.

Vers 14 en 18 en 19, veronderstellen dat Hij steeds te vinden is in het huis van de Heere. Hij neemt zich voor om trouw te zijn in de dienst van de Heere.

6. Slot

Al deze dingen neemt de dichter zich voor. Niet om bij God in de gunst te komen. En het is maar een gebrekkig, want het staat tot in geen verhouding met de genade die we ontvangen hebben. Maar toch, hij doet het omdat de Heere het waard is. De dichter spoort ons aan om de Heere onze dankbaarheid te bewijzen. Natuurlijk, makkelijk is het lang niet altijd. De zorgen en omstandigheden kunnen nog steeds moeilijk zijn; de worsteling met je karakter of die bepaalde zonde, kan zo maar weer opkomen. Maar laten ons hierdoor niet uit het veld laten slaan. De naam van de Heere is ons gegeven, om aan te roepen. Wie Hem aanroept in de nood, vindt zijn gunst oneindig groot.

Ja, nu snap ik waarom de dichter zegt: Ik heb de Heere lief. Dat is namelijk de hoogste vorm van dankbaarheid. Zegt u daar ook amen op? Amen!